Symposium Sportheld Jeen van den Berg

Hindeloopen, 30 september



Wat is een sportheld en hoe moeten we sportheld Jeen van den Berg plaatsen in de context van de sportgeschiedenis? Zeven experts gingen voorafgaand aan de uitreiking van het eerste exemplaar van de biografie over Jeen van den Berg in het schaatsmuseum in Hindeloopen de uitdaging aan. Het symposium sportheld, een manifestatie waarin de sportcarrière van Jeen van de Berg de bindende factor was. Een verfrissende kijk op de thema's talent, sportheld en ereburger. Presentator en journalist Eelke Lok begeleidde het symposium vakkundig en zorgde voor de nodige Friese nuchterheid en humor.


Beschimpt en bewierookt

Jeen van den Berg's biograaf Mark Hilberts opende de bijeenkomst met zijn bijdrage ‘beschimpt en bewierookt.’ Hij wees op de grote bijdrage van Jeen aan sportontwikkelingen in Friesland. Jeen van den Berg was belangrijk voor de komst van de kunstijsbaan Thialf in Heerenveen, de start van de KNSB-marathoncompetitie en door zijn niet aflatend enthousiasme werd sponsoring een algemeen geaccepteerd verschijnsel in de schaatssport. Van den Berg kan met recht een ambassadeur voor het Friese schaatsen worden genoemd. Ook als trainer was Jeen zijn tijd ver vooruit.


De trainer als Instructeur of de trainer als pedagoog?

Het directieve en het harde van de instructeur of de meer subtiele coaching, waarin de basis, de verbinding met de breedtesport nooit ontbrak. Heel actueel is dat na het bekend worden van excessen in de turnsport, de triatlon, etc. , heel anders tegen de rol van de trainer wordt aangekeken. Je zou kunnen zeggen, Jeen deed dat toen al op een manier die we nu als standaard willen.


Toch verdween de naam van Jeen van den Berg uit beeld?

In retrospectief zien we vanaf de 19e eeuw Heerenveen veranderen van een slapend turfdorp tot een knooppunt van topsport en dienstverlening in de 21e eeuw. De voetbalclub SC Heerenveen met Abe Lenstra, de komst van kunstijsbaan Thialf, de successen van Jeen van den Berg, de economische vooruitgang zorgen voor zichzelf versterkende factoren. Waarbij de komst van het CIOS in Heerenveen met vooruitstrevende docenten die ook in de topsport werkzaam waren een aanjager vormde voor de topsportontwikkelingen. Maar er was meer. Het raasde voort, de successen op Thialf, van SC Heerenveen met Foppe de Haan, de turnsuccessen van Epke Zonderland…, het leidde uiteindelijk tot de oprichting van Sportstad Heerenveen en het CTO Heerenveen. Jeen, toch de belichaming van Topsport en Onderwijs, waar vind je zijn nog naam terug? Of hoeft dat niet?


Thialf in 2022

Terugblikken wordt in de topsportwereld al snel gezien als stilstand, stilstand is achteruitgang, je bent zo goed als je laatste wedstrijd in een setting waarin de concurrentie moordend is. Thialf is meegegaan in een reeks van vooruitgang. De plek waar Jeen van den Berg in 1966 in Heerenveen zijn eerste streken zette op kunstijs is niet alleen onherkenbaar veranderd, de sport is dat ook. Thialf is het centrum van de schaatssport geworden en de hofleverancier van kampioenen. Er is een directe lijn van Atje Keulen-Deelstra tot Sven, Antoinette de Jong, Schulting en Femke Kok. Natuurijs zorgt alleen niet langer voor de aanwas van nieuw talent. Schaatsen gebeurt in een van veel media aandacht voorziene bubble, binnen die bubble gaat de opkomst van talent via een ‘incrowd’ van ouders, familie en vrienden. Ondanks de vele successen is er een paradoxale ontwikkeling in Thialf gaande, meer succes leidt niet automatisch tot meer inkomsten, Thialf heeft structureel tekorten en de combinatie top en breedtesport is uit evenwicht geraakt. Enerzijds komt dat door een soort inflatie van het sportsucces, anderzijds door het uitblijven van natuurijs en een veranderde wereld waar individualisme in de vrijetijdsbesteding steeds meer is toegenomen, dit ten koste van het verenigingsleven. Er is meer aan de hand dan hoge energieprijzen. Jeen zou in deze ontwikkelingen ambivalent hebben opgesteld, enerzijds omdat hij altijd zocht naar vooruitgang in de sport, naar snel ijs, anderzijds verloor hij nooit de bakermat van het schaatsen uit het oog. Hij wees in zijn tijd al op het belang van evenwicht.



Marije Elferink-Gemser


Talent

Wat is een talent en hoe kan je dat ontwikkelen? Het gaat niet alleen om ‘abilitity’,aanleg, maar vooral om de unieke combinatie in het benutten van ‘nature’ en ‘nurture’. Een sporter met een ongekende aanleg maar met een gebrek aan inzet is in de ogen van Elferink-Gemser geen talent, want die sporter is lui, dus,.. geen talent!! Als er trouwens iets niet van Jeen van den Berg gezegd kan worden, is dat hij gebrek aan inzet had.

Een blik op de talentscoop van Jeen laat zien dat hij voldoet aan de hedendaagse criteria van het GTSM (Groninger Talent Sport Model) dat de faculteit bewegingswetenschappen van de Groninger Universiteit heeft ontwikkeld om meer inzicht te krijgen in talentontwikkeling.

Elferink-Gemser al meer dan twintig jaar bezig met onderzoek naar talenten: ‘Het gaat in de ontwikkeling van een talent om het benutten van de aspecten ‘taak’, ‘persoon’ en ‘omgeving’, waarbij de topsporter van toen en nu de ‘regisseur is van zijn eigen ontwikkeling.’ De sporter is altijd aanzet en reflecteert constant op zijn eigen optredens. En dat was Jeen, meer dan zeventig jaar geleden al ten voeten uit.

En passant hekelde Elferink-Gemser nog even de hedendaagse ontwikkelingen op topsportgebied. Help je een 12-jarige jeugdvoetballer van een BVO (of andere topsportsetting) door alles voor hem of haar te regelen in zijn programma?? Die lijn zou ook doorgetrokken worden naar ouders die een elektrische fiets voor hun kind aanschaffen uit angst dat de afstand van huis naar school te veel van ze vraagt.

Elferink-Gemser wees erop dat bij de hedendaagse scouting op te jonge leeftijd wordt geselecteerd. Het probleem is dat vroegrijpe sporters in het voordeel zijn, terwijl deze tijdelijke voorsprong juist zand in de ogen strooit. Want vooral slimheid en de drive om te willen winnen zijn in een latere fase juist van veel groter belang, Elferink-Gemser hechtte er waarde aan om te vermelden dat dit soort principes niet alleen voor topsport gelden, maar ook voor andere domeinen in de samenleving, zoals op cultureel gebied of ondernemerschap.

Zou Jeen in zijn jeugd geselecteerd zijn geweest voor een jeugdteam? Elferink Gemser: ‘waarschijnlijk niet!’



Marnix Koolhaas:


Toen de sporter nog geen held was

Koolhaas: ‘Wat is onze oudste sportheld, de anonieme soldaat die overtuigend een langeafstand schaatswedstrijd won in 1466 aan het hof van Philips de Goede? Of was het Klaas Arens Kaaskoper een 25 jarige koopman die in 1676 in Noord-Holland de 320 km lange 12 stedentocht in aflegde in 16 en een half uur?’ Zeg het maar!!

Toch heeft Koolhaas uiteindelijk een duidelijk antwoord: ‘Jaap Eden, wereldkampioen in 1893, wordt ondanks alle voorlopers (toch) gezien als eerste contemporaine sportheld. In een tijd dat de weerstand tegen topsport en heldenverering nog groot was. Door een enerzijds sterk verzuilde samenleving, maar anderzijds ook een samenleving waarin sport nog niet de betekenis had die het veel later wel zou krijgen.’

Hoe verliep die ontwikkeling van de heldenverering eigenlijk? Koolhaas: ‘Er loopt een rode draad via de publiciteit (komst van de film) rond de tweevoudig Elfstedenwinnaar Coen de Koning (1912 en 1917), de exposure van Olympische Spelen in Amsterdam in 1928 tot de jaren zestig waarin de televisie zijn intrede doet. Vooral de schaatssport vervulde een pioniersrol in de exploitatie van de successen van Atty, Stien, Carry, Reinier, Ard en Keessie! En… waarin Jeen ook een kleine, maar niet onbelangrijke rol heeft vervuld’, stelt Marnix Koolhaas.



Johann Mast:


Abe Lenstra of Jeen van den Berg?

Wie zou er in Heerenveen meer geëerd moet worden? Een moeilijke vraag, enerzijds is het meten met twee maten, de grotere voetbalsport tegenover de schaatssport, waarvoor de belangstelling pas echt vergelijkbaar is met de voetbalsport als de temperatuur serieus onder nul gaat.

Mast: ‘Abe was elke zondag ‘talk of the town’, Van den Berg was dat pas als het streng begon te vriezen.’ Abe zorgde volgens Mast voor het terugwinnen van de Friese eigenwaarde op voetbalgebied nadat de provincie decennialang in Nederland als een achtergebleven gebied werd beschouwd. En het ging om meer dan dat, Abe was in zijn tijd de beste voetballer van Nederland. De Friese schaatsers hadden altijd al wel kunnen wedijveren met de rest van het land.’

‘Tussen de twee prominente Heerenveeners, Abe of Jeen zaten grote karakterverschillen. Lenstra, was extreem getalenteerd voor alle sporten behalve duursport, maar was aartslui als het ging om inzet. Als hij niet kon winnen zonder zich bovenmatig in te spannen dan stopte hij subiet. Hoe anders was dat bij Jeen? Bij hem kwam niks vanzelf, alleen door een enorme inzet en toewijding kon hij boven zichzelf uitstijgen. Jeen wilde zich verheffen en beschouwde het als een taak om anderen te stimuleren in hun ontwikkeling. Abe ergerde zich mateloos als iemand anders niet zijn hoge niveau haalde. De opportunistische Abe was zich bewust dat zijn luiheid en recalcitrantie zichzelf versterkende factoren waren die zijn mysterieuze karakter alleen maar vergroten. In Heereveen deden ze er in de decennia na zijn dood nog een schepje bovenop door Abe groots als held te vereren. Aan de principiële Jeen van den Berg kleefden geen rafels en randen. Sterker nog het imago van Jeen van den Berg, een welbespraakte, vriendelijke schoolmeester, droeg juist niet bij aan heldenverering. Volgens Mast zijn Lenstra en van den Berg onvergelijkbare grootheden, Abe werd een mythe en Jeen niet.’



Sandra Meeuwsen:



Sporthelden en onze VOC mentaliteit

Meeuwsen: ‘Liever doorzetten dan opgeven, was een belangrijke leidraad die Jeen van den Berg meekreeg in zijn jeugd. Wie kent dat motto niet, vroeg zij zich af. ‘Wij zijn kinderen van overlevenden. Laten we niet vergeten, dat het hier gaat om de jaren net na de Tweede Wereldoorlog. Sobere, povere jaren, waarin met man en macht gewerkt werd aan herstel van voorzieningen. Jeen groeide op in deze jaren en werd een strijder op het ijs. Vanuit de armoede die hij nog ervaren heeft, ontwikkelde Jeen een enorme drang naar meer en beter. Onrecht bestrijden en revanche nemen voor… ja voor wat eigenlijk? In deze strijd hebben velen zich herkend. Later ook in de niet aflatende moed, soms tegen beter weten in, van Jeen om te vechten voor zijn rechten. Ook binnen de instituties die het schaatsen inmiddels had voorgebracht. Jeen ontleende juist moraal aan de kritiek die hij ook kon opwekken met dit anti- autoritaire gedrag. Zijn motor ging ronken van tegenwerking. Dan ging een knop om. Zowel sportief als maatschappelijk.’

Meeuwsen is te spreken over biografie over Jeen van den Berg, maar plaats graag een kritische noot. Meeuwsen: ‘Dit boek illustreert hoe graag we ons identificeren met de nationale naoorlogse mentaliteit. Anders gezegd: waar wij zelf nu nog naar verlangen.’

Ze vervolgt: ‘In Jeen zien we de harde werker, die niets cadeau kreeg. Maar ook die door toewijding, discipline en passie, boven zichzelf en de omstandigheden van zijn jeugd wist uit te stijgen. En daar verbinden we ons graag mee. Sublimatie, noemen ze dat in mijn vakgebied, de filosofie. In Jeen, Sven, Jutta, Suzanne of welke topsporter dan ook zien we hoe ruwe nog ongebolsterde levensenergie gestroomlijnd kan worden naar succes. Daar hunkeren we allemaal naar.’

Volgens Meeuwsen maakt dit verlangen ons ook kwetsbaar. ‘We raken verblind door wat we zo graag willen zien in de topsport. De menselijke maat kan verdwijnen en dan ligt excessief gedrag op de loer. Recentelijk is daar in de sportwereld wel het een en ander over naar buiten gekomen. De heldenverering in de sport heeft dus ook risico’s. Ik zie hier in Hindeloopen vooral ‘autochtone Friezen en ‘echte’ Nederlanders. Het sentiment dat ons verbindt is de zogenaamde ‘VOC-mentaliteit.’ Inmiddels weten ook dat die mix van kwaliteiten niet alleen de Gouden Eeuw heeft voortgebracht, maar ook een onfrisse praktijk van slavernij en exploitatie van onze ‘buitenlandse gebiedsdelen.’ Waar zijn de Medelanders in dit festijn van herkenning? Hoe kunnen zij zich verbinden met ‘onze sporthelden?’ Anders gezegd: wie wordt de Siffan Hassan van het schaatsen?’


Jan Rijpstra:


Inwoner of ereburger

Abe Lenstra is overal prominent aanwezig in Heerenveen, acht jaar na het overlijden van Jeen van den Berg is er in Heerenveen nog nauwelijks iets dat verwijst aan van den Bergs invloed in de sportstad. Hoe zit dat?

Rijpstra: ‘Sportgebondenheid is bepalend in de toekenning van het ereburgerschap. Jeen van den Berg is terecht ereburger van Heerenveen geworden. Rijpstra wijst op de principes die bepalend zijn voor het ereburgerschap, waarin toekenning overigens het laatste woord altijd aan de gemeenteraad is. Dat van den Berg nu een beetje uit beeld is verdwenen betreurt Rijpstra.

Hij wijst er ook op hoe het anders kan. Kijk eens naar de verschillen in de heldenverering van sporthelden in andere landen. Rijpstra: ‘In Nieuw Zeeland, Australië en Canada heeft elke plaats wel een hall of fame waarin de lokale sporthelden worden vereerd.’

‘De verering van een sportheld kent ook zijn grenzen, een overdreven of sterk hagiografisch karakter in de verering van een sportheld is niet wenselijk.’ Maar, zegt Rijpstra, ‘in het nuchtere Nederland, ben ik niet zo bang voor ‘overkill.’’

Hij denkt juist dat ‘bepaalde verering’ heel goed is. Topsporters of mensen die zich op een ander, bijvoorbeeld cultureel gebied verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving, verdienen het om vereerd te worden, dat geeft binding aan de samenleving. Jeen van den Berg past heel goed in dat model. Rijpstra stelt vast dat het vernoemen van een straatnaam of sportlocatie aan een topsporter relatief weinig voorkomt in Friesland. Wel is het traditie om topsporters na het behalen van successen uitgebreid te huldigen.

Op een ander punt wil Rijpstra nog wel een kritische kanttekening maken. In het afgelopen decennium verschenen ‘overdreven’ veel biografieën over topsporters, die eigenlijk vooral een commercieel doel dienen. ‘Het vermarkten van de topsporter’ is een ontwikkeling die met argusogen gevolgd moet worden, vindt hij. Die verheerlijking van topsporters wordt door het begeleidend management ingang gezet en kent maar een doel: munten!

Zoals Jeen van den Berg zich op zijn manier al inzette voor de sport in Heerenveen is het in navolging daarvan heel belangrijk dat hedendaagse initiatieven zoals de Stichting Right to Play en de Cruijff Foundation nog meer navolging krijgen. ‘Topsporters die door de samenleving de kans hebben gekregen om een topprestatie te leveren en later iets terugdoen voor de samenleving, dat is toch fantastisch!!’


Het zou Jeen van den Berg als muziek in de oren hebben geklonken.



·

Eelke Lok werkte veertig jaar voor Omrop Fryslân als journalist en columnist.

·

Mark Hilberts is schrijver en docent. Hij schreef eerder boeken over de Elfstedentocht en biografieën over Reinier Paping en Mindert Hepkema.

·

dr. Marije Elferink-Gemser is bewegingswetenschapper aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Ze doet onderzoek naar talentherkenning en ontwikkeling bij jeugd-sporters.

·

Marnix Koolhaas is historicus. Hij geldt als een expert op het terrein van schaatsgeschiedenis. Koolhaas werkte jarenlang als redacteur voor de VPRO.

·

dr. Sandra Meeuwsen is directeur van het ‘Erasmus Centre for Sport Integrity & Transition aan de Erasmus School of Philosophy, Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij promoveerde eind 2022 aan de Vrije Universiteit Brussel over de ontologische wortels van de Moderne sport.

·

Johann Mast is eindredacteur en columnist bij de Leeuwarder Courant. Mast heeft een passie voor sporthistorie. Hij is de biograaf van Abe Lenstra.

·

Jan Rijpstra is burgemeester van de gemeente Smallingerland en voorzitter van Stichting Sportwereld.




Laatste berichten