De mannen en vrouwen van '97 Hans Pieterse, Ruud Borst en Arnold Stam



Arnold Stam en Henk Angenent in Hindeloopen. Stempelen en door!








Hans Pieterse

Leeftijd in 1997: 29 jaar

Gescheiden, twee kinderen

Diemen

Medewerker schaats winkel Waterman Sport Amsterdam


Hans:

“Voor een Elfstedentocht moet je mazzel hebben. In de afgelopen dertig jaar zijn er drie Elfstedentochten georganiseerd, dat zegt genoeg, Als jongetje van een jaar of twee werd ik al op het ijs van de Jaap Edenbaan gezet, toch koos ik in eerste instantie voor het voetbal, pas op mijn vijftiende ben ik weer gaan schaatsen. Ik was geen talent, maar zorgde ervoor dat ik altijd achter schaatsers reed met een goede techniek, dat is voor mijn ontwikkeling heel goed geweest. Als landelijk marathonschaatser debuteerde ik op mijn 19e in de B-divisie. Een jaar later werd ik A -rijder.

Om mee te doen aan de Elfstedentochten van 1985 en 1986 was ik nog te jong. In de tweede helft van de jaren tachtig schaatste ik voor de Siebrand-ploeg met Evert van Benthem, Jan Eise Kromkamp en Piet Kleine. Van deze mannen heb ik enorm veel geleerd. Van Benthem is een groot kampioen. Niet alleen door zijn Elfstedenoverwinningen, maar ook door de manier waarop hij met alle facetten omgaat van zijn status als Elfstedenheld. Kromkamp leerde mij de finesses van het marathonschaatsen, en Piet Kleine is de beste technische schaatser die ik ooit gezien heb. Aan hem kon je niet zien of hij nu wel of niet moe was. Dat hij als 47-jarige nog in de kopgroep reed, bij de Elfstedentocht van 1997, zegt genoeg. Tijdens de ronde van Maasland werd de Elfstedentocht aangekondigd. Sommige schaatsers stapten direct af, maar ik reed door. Er ontstaat dan een hype, iedereen wil met je praten. Als één van de weinigen had ik toen al een mobiele telefoon, die heb ik maar aan mijn ploegleider Richard van Kempen, gegeven en ben mij rustig gaan voorbereiden. Ploegleider Richard Van Kempen had ons vooraf aangegeven om voor eigen kansen te gaan, maar elkaar niet tegen te werken. Na de start kwam ik als (ongeveer) dertigste op het ijs. Met het aandoen van mijn schaatsen verloor ik veel tijd, dit is voor mij altijd een precisiewerkje, waarbij er nu opeens veel druk opstond. Een minuut na de kopgroep vertrok ik vanaf de Zwette. Voor de wind reed ik voluit om bij de kopgroep te komen, vlak voor Sneek sloot ik aan. Op het Slotermeer ging het helaas mis. Het was donker en oriëntatie op de route was nauwelijks mogelijk, daardoor viel de groep uit elkaar en verloren we de aansluiting. Ik ben geen echte 200km specialist, eigenlijk is die afstand te lang voor mij. De Elfstedentocht daarentegen is de makkelijkste wedstrijd over 200km die ik ooit gereden heb. Er stonden zoveel mensen langs het parcours dat het leek alsof het schaatsen vanzelf ging. In de tweede groep (in de wedstrijd) schaatsten we op weg naar Dokkum. Vlak voor Hijum, de woonplaats van Willem Poelstra demarreerde Willem. Ruud en ik sloten even later weer bij hem aan. Na Dokkum versnelde Ruud en (van de groep) kon alleen ik volgen. Onderweg haalden we later Yep Kramer in, hij pikte bij ons aan. Met zijn drieën sprintten we voor de zesde plaats, Ruud won de sprint. Eenmaal over de finish kreeg ik direct een microfoon van de NOS onder mijn neus gedrukt, vol emotie ben je dan nog. De prijsuitreiking in het bomvolle FEC is onvergetelijk. Als marathonschaatser had ik al aardig wat gewonnen, maar pas na de Elfstedentocht kwam de ‘echte’ erkenning. Twee dagen na de Elfstedentocht deed ik alweer mee aan een klassieker in Eernewoude. In nog geen tien dagen heb ik 960 wedstrijdkilometers gereden. Ik won het natuurijsklassement en later in dat seizoen werd ik Nederlands Kampioen Marathonschaatsen. De Elfstedentocht is een hoogtepunt in mijn sportcarrière.! Een dieptepunt is het overlijden van Willem Poelstra en Sjoerd Huisman. Dat heeft mij echt aangegrepen. Als trainer van de Amsterdamse baanselectie ben ik nog actief in de sport. Dat doe ik samen met mijn schaatsvriend Yoeri Lissenberg. Af en toe komen de jongens vragen. Hoe zit dat nou, die Elfstedentocht? Dan praten we erover en lachen om onze verhalen. Of ik ooit zelf nog een Elfstedentocht rijd, dat weet ik niet. Ik denk eerder dat ik dan te druk ben in de winkel en ik ben er nog niet uit of ik wel de ambitie heb om een toertocht te rijden. “







Ruud Borst

Leeftijd in 1997: 25 jaar

Sint Nicolaasga

Beroep: fietsenmaker

Ruud:

“Tot een paar dagen voor de Elfstedentocht was ik in topvorm, ik werd tweede tijdens het NK marathonschaatsen in Ankeveen en twee dagen voor de Elfstedentocht won ik op 2 januari de klassieker in Maasland. Tijdens die wedstrijd hoorden we dat de Elfstedentocht door zou gaan. Na afloop duurde het heel lang voordat de huldiging plaatsvond, ik kreeg het daar heel koud en dat gaf net het zetje dat ik ziek werd. In 1996 ging de Elfstedentocht op de valreep niet door en het blad Panorama wilde toen een statement maken dat de Elfstedentocht volgens hen best gehouden had kunnen worden.

Zij vroegen de top van het marathonklassement om de Elfstedentocht te willen schaatsen. Dat was mijn eerste kennismaking met de Elfstedentocht, het dat werd een onvergetelijke ervaring. Via Omrop Fryslân werd er verslag gedaan en onderweg waren zelfs scholen uitgelopen om ons aan te moedigen.

Mijn vader (Cees Borst) had in 1985 en 1986 meegedaan met de wedstrijd in de Elfstedentocht. Graag wilde ik zijn beste klassering (1985, 20e plaats) overtreffen. Met meer was ik eigenlijk niet echt bezig, daar was ik te ziek voor, met koorts begon ik aan de wedstrijd. Mijn vader had vooraf aangegeven dat hij verwachtte dat het de eerste honderd kilometer rustig zou gaan en dat dan de wedstrijd zou openbreken. Er werd (nu) direct hard gekoerst. Voor Sneek sloot ik aan in de kopgroep, helaas verloor ik vlak voor de Luts door een val de aansluiting. Ik kwam terecht in de tweede groep met o.a. Hans Pieterse. Tot overmaat van ramp, reden wij voor de Galamadammen verkeerd. We dachten dat een witte rand de baan markeerde, maar het bleek de wal te zijn! Na Stavoren verloor ik mijn skibril, waardoor ik later, bij de finish, merkte dat ik bevroren ogen had gekregen. Van de gevolgen daarvan heb ik nog altijd last. Op weg naar Hindeloopen kwam ook het besef dat ik in ‘de geloste groep’ schaatste en dat het vooral ging om het uitrijden van de Elfstedentocht.

Van de entourage onderweg heb ik weinig meegekregen. De Klerksploeg waar ik toen voor reed, had voor de verzorging, mensen uit de fabriek langs de kant staan. Die hadden natuurlijk geen ervaring hiermee. Ik kreeg bijvoorbeeld verschillende keren een bidon aangereikt waarvan de inhoud al bevroren was. Pas bij Harlingen kon ik aan ploegleider Frans Overdevest duidelijk maken dat ik warm water nodig had. Pas vlak voor Bartlehiem heb ik voor het eerst kunnen drinken. Inmiddels begrijp ik ook, waarom ik voor die tijd enigszins versuft schaatste. Vlak voor zijn woonplaats, Hijum, demarreerde Willem Poelstra, eerst dacht ik nog, wat gaat hij nu doen? Later besefte ik dat hij graag solo door zijn woonplaats wilde schaatsen. Ondertussen had ik ook weer goed energie om samen met Hans Pieterse bij Poelstra aan te klampen. Op de Dokkumer Ee haalden we Yep Kramer in.

Na Dokkum heb ik, met de wind in de rug, voluit gereden. Ik had nog genoeg over om de sprint om de zesde plaats te winnen. Mijn klassering in de Elfstedentocht in 1997 was de slechtste klassering van al mijn natuurijswedstrijden in die periode. Ik was een kanshebber voor de winst geweest, maar ik kijk niet met frustratie achterom, daarvoor ben ik te veel liefhebber van het schaatsen. Na afloop dronken we een biertje met de sponsor in het hotel en werden we er niet op geattendeerd dat de huldiging in het FEC al begonnen was. Na een tip zijn we zo snel we konden naar Leeuwarden gereden, nadat het officiële gedeelte al plaatsgevonden had. Ik werd nog wel op het podium geroepen,daar baal ik nog altijd van. Bij het verlaten van het podium werd ik ook nog gesommeerd om medewerking te verlenen aan een dopingcontrole, maar hier is later verder op geen enkele manier iets over gecommuniceerd. De uitslag weet ik wel, met doping heb ik nooit iets te maken willen hebben."



Arnold Stam

Leeftijd in 1997: 29 jaar

Sprang Capelle

Ondernemer, eigenaar Stam aanhangers

Getrouwd, drie kinderen

Arnold:

“ Hier in het Noord-Brabantse land, in de omgeving van mijn dorp, wordt werken met een hoofdletter geschreven. Die ‘spirit’ heb ik van mijn ouders ook echt meegekregen. Mijn vader stimuleerde mij om aan sport te doen. Hij vond voetbal maar niks. Dat mocht niet. Een lange tijd heb ik aan judo gedaan. Ik kon goed meekomen maar was geen uitblinker. Iets verderop ( Arnold wijst de plek aan) wordt in strenge winters een natuurijsbaantje aangelegd. Toen ik een jaar of vijftien was zagen mensen mij schaatsen en werd er gezegd dat ik iets met mijn talent moest doen. Ik werd lid van de ijsclub Jaap Eden uit Haarsteeg. Om op de kunstijsbaan in Eindhoven te komen was nog een hele onderneming in die tijd. Na enige tijd kwam ik in de langebaanselectie. Pas bij de zomertraining kreeg ik in de gaten dat ik meer kon dan gemiddeld. Bij de duintraining liep ik iedereen op ruime afstand. Omdat mijn sprint niet goed genoeg was, was de overstap naar het marathonschaatsen een logische keuze. Bij een landelijke wedstrijd in Heerenveen waarin ook regiorijders mochten starten werd ik ontdekt door Piet Schipper. Hij was de ploegleider van de VGZ-ploeg. Mijn eerste, grote successen heb ik geboekt in de Klerks ploeg. Daar was Frans Overdevest ploegleider. In die tijd had ik het goed voor elkaar. Ik werkte 32 uur per week en kon twee middagen per week trainen. In de zomer deed ik aan wielrennen. Erik Dekker, Michael Boogerd, Servais Knaven waren mijn concurrenten en die stapten over naar de profs. Dat heb ik niet overwogen omdat ik met schaatsen al successen boekte en sport en werk al goed op elkaar had afgestemd. Achteraf gezien heb ik geen spijt omdat ik daardoor nooit in de verleiding ben gebracht om bijvoorbeeld doping te nemen. Aan de andere kant is het sportief gezien jammer omdat ik bij inspanningstesten dezelfde resultaten scoorde als profwielrenners.

In 1997 was ik in topvorm. Ik hield niet van afstappen maar toen we tijdens de wedstrijd in Maasland hoorden dat de Elfstedentocht doorging en ik Piet Kleine ook zag stoppen ben ik er ook mee opgehouden. Het klunen vreesde ik wel een beetje. Na de wedstrijd in Maasland, het was al donker, ben ik terug gegaan naar het natuurijsbaantje in Kaatsheuvel. In het pikkedonker heb ik mijn schaatsen aangedaan en mijn schaatshoezen er onder gebonden. Vanaf die plek ben ik over de weg hardlopend naar mijn huis gegaan. Dat is een afstand van meer dan driehonderd meter. Voor de tocht overnachtte ik bij Peter de Vries. RTL maakte bij Peter thuis opnames. Samen gingen we naar Leeuwarden. Wij dachten dat we vroeg bij de start waren. Maar eenmaal aangekomen bleek de kooi al vol te staan. Omdat ik niet voorin stond, heb ik tijdens het hardlopen naar de start met mijn krachten moeten smijten om aansluiting te vinden. Het zijn allemaal roofdieren in zo’n Elfstedentocht. Met de wind in de rug ging het keihard, ik denk dat we wel tegen de 45 km p/u reden in het donker. Vlak voor het Slotermeer reed ik in een scheur en klapte vol op het ijs. Er werd gelukkig gewacht. Door de harde wind waren de vuurkorven op het Slotermeer uitgewaaid en wisten we niet waar we heen moesten. René Ruitenberg had de route het best in zijn hoofd en wees op een gegeven moment de richting. Dat was een cruciaal moment in de wedstrijd. Van de mensenmassa heb ik intens genoten. Na Bolsward werd de kopgroep steeds kleiner. De slag viel na een demarrage van Henk van Benthem en Bert Verduin. Hierbij kon ik aansluiten. Later volgden Henk Angenent, Piet Kleine en Erik Hulzebosch. In de kopgroep vond ik Piet Kleine de sterkste indruk maken. Op drie kilometer voor de finish moest ik er af. Soms als ik de beelden terugzie op televisie, vind ik het jammer dat ik niet mee gesprint heb op de Bonkevaart. Dat ik in goede vorm was bleek ook een aantal dagen later bij mijn winst in de Noorderrondrit. Voor de Elfstedentocht had ik al veel gewonnen. Maar zelfs in mijn eigen omgeving werd ik pas bekend na de Elfstedentocht. Op zijn Brabants werd er dan onderling met trots gezegd, dat is ‘Nol van Nollen.’ Sport is zonde van je tijd, je kan beter gaan werken, is in mijn omgeving al snel het parool. Maar bij een Elfstedentocht gelden er andere wetten. Sportief gezien was de Elfstedentocht een hoogtepunt, maar dat geldt ook voor mijn reeks solo overwinningen op zowel kunst- als natuurijs. Ik heb allerlei doctoren afgelopen nadat problemen met mijn been zich openbaarde. Daardoor kon ik mijn kracht niet goed overbrengen op het ijs. Ik ben een tijdje gestopt. Maar mijn zonen doen het ook goed in het schaatsen. Zo kwam ik weer op de kunstijsbaan in Eindhoven. OP de vraag wat hij Danny aan raad meegeeft, mocht er een Elfstedentocht komen: Rustig aan beginnen. Arnold begint hard te lachen na deze woorden. Als geen ander kent hij zijn zoons en de Elfstedentocht! “




Laatste berichten