De mannen en vrouwen van 97: Henri Ruitenberg, Rob van Meggelen en Fausto de Marreiros



Rob van Meggelen haalt zijn stempel in Hindeloopen

Foto: Frits Zweed


Henri Ruitenberg

Leeftijd in 1997: 40 jaar

Den Ham

Ondernemer

Getrouwd, drie kinderen

Henri:

“Ik heb de gouden jaren van het marathonschaatsen meegemaakt, besef ik nu. Nadat ik in 1979 begon met marathonschaatsen had ik ongeveer zes jaar nodig om op mijn topniveau te komen. In 1985 was ik op mijn sterkst, ik won de KNSB cup en werd op het Amstelmeer Nederlands Kampioen natuurijs.

Samen met Dries van Wijhe reisde ik naar de wedstrijden. Op de achterbank van de auto telde we na afloop de vrouw de inhoud van de Enveloppen met prijzengeld, dat deelden we dan door tweeën. Dries zei dan: ‘zo dan kunnen we weer panthers (sigaren) kopen.

Ik trainde keihard in die tijd, als ik ’s ochtends niet duizelig opstond had ik voor mijn gevoel niet goed getraind. Van trainingsleer wist ik nog weinig. Voor iedereen was de verrassing groot toen er in 1985 een Elfstedentocht gehouden kon worden. De avond voor de wedstrijd zaten Dries en ik nog in de kroeg. Dries bestelde een paar Franse Cognacs en vroeg aan de ober ook wat cognac in kleine flaconnetjes te schenken. Henri, dat moet je nemen als je morgen kapot komt te zitten, zei Dries tegen mij.

De volgende dag heb ik de flesjes op de Dokkumer Ee maar weggegooid. Ik was voor veel mensen de grote favoriet maar ik werd in de sprint geklopt door Evert van Benthem. Terwijl Evert de hand schudde van Koningin Beatrix, belandde ik direct na de finish hardhandig in de armen van een dopingcontroleur. Op sokken ben ik samen met Jan Kooiman en Jos Niesten naar de Frieslandhal gegaan voor die controle. Ik heb eerst liters sinas en cola moeten drinken voordat ik kon plassen. Ik was door de wedstrijd natuurlijk helemaal uitgedroogd. Met mijn tweede plaats had ik vrede. Natuurlijk kun je altijd achteraf dingen noemen die je in de wedstrijd beter had kunnen doen. Evert werd na de Elfstedentocht overal voor gevraagd. Als hij afzegde dan waren de kruimels voor mij. Op die manier heb ik ook kunnen profiteren van de Elfstedentocht. Mijn vrouw was er ook wel blij mee dat ik niet had gewonnen. Zij zat er niet op te wachten op een publieke figuur te worden, als vrouw van een Elfstedenwinnaar.

Een jaar later (in 1986) kreeg ik tijdens de Elfstedentocht al vroeg in de wedstrijd materiaalpech. De punten van mijn schaatsen braken af waardoor ik niet meer optimaal kon schaatsen. Toch wist ik nog negende te worden. In 1997 was ik bijna veertig en gaf ik mijn broer Rene een grotere kans om te winnen. Mijn plan was om hem zo goed mogelijk te helpen tijdens de wedstrijd. Mijn eigen kansen zou ik daar ondergeschikt aanmaken.

Door Frank van de Wall Bake werden wij voor de wedstrijd benaderd om reclame te maken voor de mobiele telefoons die net op de markt waren. Ik moest tijdens de wedstrijd bellen en daar zou een spotje van gemaakt worden. Na een goede start reed ik direct in de kopgroep. Fausto de Marreiros had een lampje op zijn hoofd en scheen mij onbedoeld met dat licht goed bij, daardoor kon ik volle bak blijven rijden.

Voor de Galamadammen raakte ik Fausto kwijt, terwijl Henk Angenent en Erik Hulzebosch aansloten. De definitieve kopgroep van veertien schaatsers werd hier gevormd. Pas nadat het een beetje licht werd kwam er een motor van de NOS bij om verslag te doen van de wedstrijd.

Ik was onderweg al een paar keer gevallen en de telefoon was daarbij stuk gegaan. Ik heb nog wel geprobeerd met dat ding te bellen, dat mislukte natuurlijk. Rene is later wel goed in beeld gekomen. Voor Bartlehiem viel Rene en raakte daarbij op achterstand op de kopgroep. Ik heb even ingehouden, maar Rene kon niet meer aansluiten. Het gevolg was dat ook ik de aansluiting met de kopgroep kwijtraakte, alleen ben ik verder geschaatst en als dertiende passeerde ik de finish.

Door de diskwalificatie van Piet Kleine werd ik op de twaalfde plaats geklasseerd. Hiermee ben ik de enige schaatser die in de laatst verreden Elfstedentochten ook drie prijzen heeft behaald. Na 1997 kreeg voor zowel Rene als ik het commerciële belang de overhand ten opzichte van het schaatssen.Daarbij had ik ook het geluk dat grote bedrijven als Wehkamp en DSB veel geld in de sport staken.

Wij verdienden veel geld waarmee wij ook konden beleggen. Tot mijn 48e ben ik fulltime schaatser geweest. In de laatste jaren van mijn schaatscarrière trok ik vooral de sprint aan voor Jan Maarten Heideman. In het peloton werden mijn broer en ik ook wel de ‘Duitenbergs’ genoemd.

Na het overlijden van mijn vrouw Ali als gevolg van een verkeersongeval heeft mijn leven een totale andere wending gekregen. Door dit grote verlies ben ik heel anders tegen het leven gaan aankijken en heeft het geloof een grote plaats in mijn leven gekregen.


Rob van Meggelen

Leeftijd in 1997: 31 jaar

Den Bosch

Woont samen met Kathalijne


Rob:

“Ik ben pas op mijn vijfentwintigste lid geworden van een schaatsvereniging, daarvoor deed ik nauwelijks aan sport. Als er natuurijs lag in die jaren merkte ik wel dat het schaatsen mij makkelijk afging. In het begin combineerde ik het schaatsen van langebaanwedstrijden met de marathon. Het marathonschaatsen sprak mij het meeste aan. Ik promoveerde in korte tijd naar de B-rijders en twee jaar later volgde een overstap de A-categorie.

Het schaatsen van wedstrijden op natuurijs vond ik fantastisch om te doen. In 1996 werd ik benaderd door Richard van Kempen om deel uit te maken van de Dasiaploeg. Eind december vroor het zo streng dat iedereen wel wist dat het houden van een Elfstedentocht slechts een kwestie van tijd was. Ik was niet verrast toen ik tijdens de wedstrijd in Maasland hoorde dat de Elfstedentocht doorging. Van Kempen vertelde mij dat je bij de inschrijving voor de Elfstedentocht je je wedstrijdlicentie moest tonen, die licentie kon ik thuis nergens vinden. Ten einde raad belde ik de secretaris mijn schaatsclub, die kon mij niet verder helpen. De dag voor de Elfstedentocht ben ik naar het bondsbureau van de KNSB gegaan en daar bleek dat ik nooit een licentie had aangevraagd, en al die jaren 'illegaal' meegedaan had aan wedstrijden. Ook moest ik nog even langs bij mijn baas op Schiphol. Hij zei dat hij over het verlof voor de Elfstedentocht even moest nadenken, daar was natuurlijk geen tijd voor. Snel reisde ik daarna door naar Leeuwarden. Toen ik daar aankwam, waren mijn ploeggenoten daar al uren.

De volgende dag had ik een goede start bij de Elfstedentocht. Na het opendoen van de deuren van het FEC zag het zwart van de mensen, Ik dacht die zijn gek, om ’s ochtends, zo vroeg, in de barre kou te gaan staan. In het donker schaatsen is totaal geen probleem voor mij geweest. In die tijd trainde ik veel in het donker op de racefiets, dat ging ook altijd goed.

Op de Luts na Balk zakte het tempo, vervolgens ben ik op kop gaan rijden, om tempo te maken. Eerst dacht ik dat wij aan de leiding lagen. Maar toen ik goed om mij heen keek zag ik dat de favorieten er niet bij zaten.

Op eens zag ik in de verte de contouren van een groepje schaatsers, dat bleek de kopgroep te zijn. Daar ben ik naar toegereden. Na de Luts vervolgt de Elfstedenroute over het zuidelijk gedeelte van de Fluessen, ook wel de Oud-Karre genoemd. Hier demarreerde een groepje onder aanvoering van Henk Angenent. In plaats van links aan te houden op de route naar de Galamadammen hadden zij daar in het donker een rondje geschaatst en waren bij mijn groepje opeens weer achteraan aangesloten. Dat het zware dagen geweest waren in de aanloop naar de Elfstedentocht, begon ik halverwege de wedstrijd goed te vernemen.

In Franeker kwam Arnold Stam naast mij schaatsen en zei: ‘Hier moet je van genieten, doelend op de enorme mensenmenigte langs de kant. Op het noordelijk gedeelte van de Elfstedenroute kon ik een tijdje later het tempo van de kopgroep niet meer volgen. Met Henri Ruitenberg en Yep Kramer schaatsen we achter de kopgroep aan en beukten we tegen die ijzige oostenwind in.

Ik kwam volkomen uitgeput over de finish. Dit doe ik nooit meer zei ik. Later is het afzien wat ik heb moeten doen om te finishen in de Elfstedenwedstrijd een soort benchmark geworden. Al snel dacht ik dan, erger als het afzien wat ik bij de Elfstedentocht heb moeten doen kan het (hier) niet worden.

De Elfstedentocht kwam eigenlijk te vroeg in mijn loopbaan, mijn sportieve piek lag begin jaren 2000. Tweemaal heb ik toen de alternatieve Elfstedentocht gewonnen. De keerzijde van het sportieve succes is er ook, door het marathonschaatsen heb ik lange tijd geen voorrang gegeven aan mijn maatschappelijke carrière. Na mijn studie aan de landbouwuniversiteit in Wageningen heb ik tijdens mijn schaatscarrière baantjes gehad om in mijn levensonderhoud te voorzien. Daar ondervind ik nu nadeel van.

Ik kan dat ook wel weer relativeren als ik aan Willem Poelstra denk. Op die bewuste avond dat hij op de Jaap Edenbaan onwel werd en later overleed gingen we tegelijk de laatste bocht in. Met de schaatsen raakten wij elkaar. Hij schold op mij. Nog altijd ben ik blij dat ik toen niet teruggescholden heb. Honderd meter na het passeren van de finish zakte hij in elkaar."



Fausto Marreiros

Leeftijd in 1997: 30 jaar

Velserbroek

Softwaremanager

Gescheiden, twee kinderen

Fausto:

“ Tot mijn zestiende deed ik aan voetbal, atletiek en turnen. Na het schaatsen van de Leidsche Vaarttocht, in 1982, stimuleerde mijn moeder mij om lid te worden van een schaatsclub. Dat deed ik en ik ontdekte dat mijn hart bij het schaatsen lag. In 1986 kwam mijn schaatscarrière in een stroomversnelling nadat de VGZ ploeg mij benaderde in hun opleidingsploeg deel te nemen aan de marathoncompetitie.

Een paar jaar later, in 1992, kreeg ik een zware tegenslag te verwerken toen ik bij een valpartij zwaar gewond raakte nadat een andere schaatser mij met zijn schaats vol in mijn been raakte, mijn kracht in dit been heb ik daarna nooit helemaal teruggekregen, en ik heb er zelfs een klapvoet aan over gehouden. Desondanks won ik 1995 de Alternatieve Elfstedentocht in Finland en het ONK op de Plansee.

Het langebaanschaatsen vond ik eigenlijk mooier dan het marathonschaatsen, maar omdat mijn prestaties, door het ongeluk, niet goed genoeg waren om voor Nederland uit te komen, heb ik in 1996 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor Portugal uit te komen, het land waar mijn vader uit afkomstig is. Aan alle grote toernooien, in die tijd, heb ik mee mogen doen. Begin januari 1997 bereidde ik mij in Collalbo voor op het EK Allround. Daar hoorde ik dat de Elfstedentocht doorging, met een noodgang zijn mijn hoogzwangere vrouw en ik naar Nederland gereden.

Op mijn hoofd droeg ik tijdens de Elfstedentocht een mijnwerkerslampje, daar heb ik veel voordeel van gehad in het begin van de wedstrijd, toen het nog donker was. Voor de Galamadammen lag ik aan de leiding in de wedstrijd en had ik een kleine voorsprong op de kopgroep. De route was daar niet of nauwelijks gemarkeerd, daar reed ik verkeerd en het groepje achter mij nam op goed geluk wel de juiste route. Toen ik dat doorkreeg was ik al in het pikkedonker in het riet beland, ergens bij een dijk. Mijn bidons waren uit mijn zak gevallen en ook mijn lampje moest ik zoeken, daarna zette ik de achtervolging in op de kopgroep. Zo snel als ik kon probeerde ik weer aan te klampen, ik kreeg het groepje zelfs in zicht, maar na Stavoren moest ik capituleren. De wind was te hard om alleen het gat dicht te rijden. Mijn kans om de Elfstedentocht te winnen kon ik wel vergeten.

Na een tijdje werd ik ingehaald door de tweede groep en daar sloot ik bij aan. De NOS filmde ons net nadat het licht geworden was, dat leek mij ook een goed moment om mijn lampje af te geven aan de cameraman, dit beeld wordt vaak herhaald op TV als er een item is over de Elfstedentocht van 1997.

Door pech was ondertussen mijn rechterschaats helemaal bot geworden, in een ‘gewone’ wedstrijd was ik gestopt, maar door mijn hoofd spookte dat dat een doodzonde zou zijn in de Elfstedentocht. Vooral de gedachte mijn zoon te moeten vertellen in de grootste marathonwedstrijd op te hebben gegeven heeft me voortgedreven. Bij de doorkomst van een stad of dorpje probeerde ik steeds als eerste van het groepje aan te komen, en te beseffen dat al die mensen ook voor mij juichten.

Voor Bartlehiem reed ik samen met Ruud Borst, Hans Pieterse en Willem Poelstra weg uit het groepje. Pieterse en Borst versnelden na Dokkum nog een keer, net nadat ik van kop afkwam, Willem reageerde niet en daarna lukte het niet om aan te klampen. Vervolgens ben ik, met Willem achter mij aan naar Leeuwarden gereden. 'Ik kan niet meer overnemen', riep hij onderweg.

Op de Bonkevaart hoorde ik de speaker roepen 'wie gaat er tiende worden in de Elfstedentocht?', direct daarna demarreerde Willem, en daar was ik toen bepaald niet blij mee!

In mijn hotelkamer in Rijperkerk keek ik, enkele uren later, op de TV naar de prijsuitreiking, en opeens werd mijn naam ook genoemd, wist ik veel dat er twaalf prijzen uitgereikt worden? Snel ging ik naar het FEC, daar bleek de prijsuitreiking helaas al voorbij en ergens in een klein kamertje kreeg ik mijn medaille overhandigd.

Twee jaar na de Elfstedentocht werden Willem Poelstra en ik ploeggenoten. Hij stapte schoorvoetend op mij af en wilde zijn excuses maken voor zijn demarrage op de Bonkevaart, maar ik verweet Willem ondertussen niets meer. De Elfstedentocht is daar een te speciale wedstrijd voor.

In 1999 bij de eerste wedstrijd van dat seizoen vond er een verschrikkelijk drama plaats. Nadat ik de sprint voor Willem had aangetrokken, viel hij na de finish naast mij neer, direct zag ik dat het niet goed was en ben ik hem gaan reanimeren. Later bleek dat tevergeefs te zijn geweest. In het ziekenhuis in Amsterdam is Willem overleden. Die nacht heb ik tot het licht werd, als verdoofd, thuis op de bank gezeten. Het heeft mij later veel moeite gekost om het overlijden van Willem een plek te geven. "


Laatste berichten