De mannen en vrouwen van '97: Jan Welles, Albert Krook en Carl Draaijer


Jan Welles

Leeftijd in 1997: 43 jaar

Terwispel

Medewerker technische dienst

Getrouwd, twee kinderen

Jan:

“Begin jaren zeventig is mijn schaatscarrière begonnen met het schaatsen van langebaanwedstrijden. In de zomermaanden werd mij door mensen van mijn schaatsclub geadviseerd om ook te gaan wielrennen. Dat advies volgde ik op en dat ging eigenlijk zo goed dat ik ook aan wedstrijden ging deelnemen, dat ging mij goed af.

Tijdens de voorbereiding op het NK wielrennen in 1972 raakte er tijdens de training iets tussen mijn voorwiel, ik sloeg over de kop en scheurde daarbij mijn milt. Dat was een enorme domper.

Mijn vader was op jonge leeftijd overleden aan een slopende ziekte, enn in het jaar dat mijn vader stief kwam ook mijn broer op noodlottige wijze om het leven. Net toen ik mij aan deze moeilijke periode aan het ontworstelen was kreeg ik zelf pech.

Na een tijdje kon ik de draad weer op pakken en ben ik ook marathons gaan schaatsen. Mijn leven stond naast mijn werk altijd in het teken van trainen en wedstrijden rijden. In 1983 werd ik noordelijk kampioen wielrennen. De Elfstedentochten van 1985 en 1986 reed ik in de wedstrijd uit, het was een geweldige ervaring. Waarbij ik in de Elfstedentocht van 1985 de pech had gehad dat ik mijn duim niet kon bewegen, doordat bij een schaatsmarathon de pezen doorkliefd waren geraakt tijdens een massale valpartij. Met het aantrekken van mijn schaatsen had ik veel moeite en hiermee verloor ik veel tijd.

Nadat het 'it giet on' van Henk Kroes geklonken had en de Elfstedentocht van 1997 werd aangekondigd gierden de zenuwen door mijn lijf. Een paar zaken had ik anders aangepakt dan bij de vorige Elfstedentochten, in plaats van in Leeuwarden sliep ik de nacht voor de wedstrijd in mijn eigen bed.

Mijn vrouw (Roelie) bracht me naar de start, als een van de eersten kwam ik aan bij de Zwettehaven. Eenmaal op de Zwette was het pikkedonker en na enige tijd werd ik ingehaald door Rein Jonker en Jan Bakker. ‘ga mee. Jan’, riepen ze, dat deed ik niet om mij niet te forceren. Later heb ik weleens gedacht dat ik beter mee had kunnen gaan, maar op dat moment neem je de beslissing.

Na Sloten was het op het Slotermeer voor mij lastig om mij te oriënteren op de route naar Balk, Inmiddels schaatste ik daar al enige tijd met Carl Draaijer. Wij haalden andere schaatsers in en er sloten ook een aantal schaatsers bij ons aan. Na Stavoren werd dit een vaste groep waarin goed werd samengewerkt. Bij Franeker en Harlingen kreeg ik de koude rillingen op mijn rug van al de aanmoedigingen vanaf de kant. Onderweg heb ik geen moeilijke momenten gehad en relatief fris kwam ik over de finish.

In de week na de Elfstedentocht van 1997 heb ik nog veel klassiekers kunnen schaatsen waaronder de Noorderrondrit, in deze wedstrijd eindigde ik als negende. Na de Elfstedentocht heb ik nog jaren wedstrijden gereden als landelijk marathonschaatser bij de masters. In 2005 werd ik bij de alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee wereldkampioen in deze klasse. Helaas moest ik een korte tijd later afscheid nemen van de wedstrijdsport door hartritmestoornissen.

Na een aantal medische behandelingen ben ik nu actief als schaatstrainer van de STG Giethoorn en doe zelf mee aan de trainingen die ik geef. Op die manier kan ik mijn schaatser en wielrenners optimaal begeleiden, wat technische aanwijzingen toeroepen of een compliment geven. Schaatsen en wielrennen is mijn lust en leven, en het is waardevol om kennis over te dragen.”


Albert Krook

Leeftijd in 1997: 29 jaar

Loosdrecht


Albert Krook is een neef van schaatscoach Ab Krook en eveneens afkomstig uit Loosdrecht. Als lid van de Gooise Hardrijdersvereniging uit Hilversum startte krook zijn schaatsloopbaan op de langebaan. Vooral op de sprintafstanden boekte Krook de meest aansprekende resultaten en nam hij in 1991 deel aan het NK Sprint. Na een succesvolle overstap naar het marathonschaatsen won hij vervolgens diverse wedstrijden bij de B-rijders. In het seizoen 1995-1996 promoveerde Krook naar de A-divisie, waarvan hij drie seizoenen van deel uitmaakte. Krook's vijfde plaats op het NK kunstijs was zijn beste sportieve resultaat in deze periode.

Voorafgaand aan de Elfstedentocht reed Krook nooit verder dan een wedstrijd over 120km. Voorafgaand aan de Elfstedentocht liet Krook in de Gooi en Eemlander optekenen: "Een ding weet ik wel: ten opzichte van de toppers ben ik in het nadeel. Want die jongens behoren tot een ploeg, voor hen wordt onderweg gezorgd. Ik heb een prive sponsor en moet met andere woorden zelf voor mijn eten zorgen. Als ik onderweg m'n vriendin Bianca mis, kan ik wel schudden."[1]

In het Utrechts Nieuwsblad gaf Krook na het voltooien van de Elfstedentocht in 1997 aan:

In 1985 en 1986 zat ik voor de TV en zag hoe W.A van Buuren ‘m uitreed. Ja, als die het kan dan..”[2]

En de Gooi en Eemlander schreef dat Krook na binnenkomst glunderde omdat het moest, maar omdat hij tot het bot uitgekleed was en dat verzorging door de in de haast opgetrommelde familie uitstekend verliep en dat het na Stavoren alleen maar rammen en stoempen is geweest. Als hij niet 1500 meter voor de finish was gevallen had hij nog iets hoger kunnen eindigen. [3]

Na het seizoen 1997-1998 stopt Krook met marathonschaatsen en richtte zich als lid van wielervereniging De Eendracht op de wielersport. Als succesvol wieleramateur weet Krook in diverse criteriums ereprijzen te behalen. In 2011 stopte Krook als amateurwielrenner.



Carl Draaijer

Leeftijd in 1997: 44 jaar

Woonplaats: Nijemirdum

Beroep: Timmerman

Getrouwd, vier kinderen

Carl:

“Het Elfstedenvirus heb ik van mijn vader meegekregen, aan de Elfstedentocht nam hij vijf keer deel. Op de slootjes rond Heaburgen, in de buurt van Nijemirdum leerde ik van hem schaatsen. In de winter van 1969 won ik mijn eerste schaatswedstrijd, al vrij snel daarna volgde een uitnodiging voor de Friese selectie en niet veel later werd ik geselecteerd voor Jong Oranje. Onder leiding van Egbert van ’t Oever werd er hard getraind, maar de zware trainingsarbeid moest ik wel combineren met een fulltime baan als timmerman.

Een grote klap is het overlijden van mijn broer geweest als gevolg van een verkeersongeval. Op een trainingskamp kreeg ik het afschuwelijke nieuws van mijn vader te horen. Deze gebeurtenis heef ook negatieve gevolgen gehad voor mijn sportieve ontwikkeling. De stap naar de top van Nederland kon ik net niet maken.

Mijn beste prestatie was een derde plek op het NK Allround in Heerenveen, op de slotafstand, de 10 km. De prominente rol die de afstandskampioenschappen nu hebben voor marathonschaatsers bestond toen helaas nog niet en met mijn gebrekkige sprintkwaliteiten zou ik daar wel veel aan gehad hebben.

In 1980 sloeg opnieuw het noodlot toe, toen ik tijdens de Elfmerentocht met de fiets over kop sloeg en daarbij een zware schedelbasisfractuur opliep. Mijn revalidatieproces hiervan heeft meer dan vijf jaar geduurd en hierdoor moest ik stoppen met topsport. Tijdens de Elfstedentocht van 1985 was ik gelukkig net op tijd hersteld om, weliswaar in een rustig tempo, aan de toertocht deel te nemen. Het evenement maakte een enorme indruk op mij en vormde de aanleiding om mijn trainingsarbeid voorzichtig te intensiveren.


Via Pieter Bult, een schaatsmaat van vroeger, die mij weer zag trainen op Thialf, werd ik benaderd om als B-rijder in de opleidingsploeg van VGZ te komen. Op 35e jarige leeftijd kon ik mijn sportcarrière hiermee een nieuwe impuls geven. Vanaf die tijd heb ik eerst bij de B-rijders en later bij de veteranen veel wedstrijden kunnen winnen.

Het was een grote schok toen mijn neef, Johannes Draaijer in 1990 overleed aan een harstilstand. Hij was profwielrenner. Uit later autopsie bleek later dat hij een aangeboren hartafwijking had, uiteindelijk is mijn hele familie het medische circuit ingegaan om de erfelijke belastbaarheid vast te stellen.

In 1997 wilde ik graag in de wedstrijd meedoen aan de Elfstedentocht. De aankondiging van de tocht hoorde ik in de stoel van de tandarts, waar ik inlag voor een zenuwbehandeling. De dagen daarvoor had ik nauwelijks geslapen en op de dagen met de Elfstedentocht in het vooruitzicht werd dat niet veel beter. Op het laatste moment moest er nog van alles geregeld worden om optimaal voorbereid aan de start te staan.

In de Elfstedentocht van 1997 had ik een goede start en deed ik gelijk mee voor in de wedstrijd, toch heb ik mij voor Sneek laten afzakken omdat ik mij niet over de kop wilde rijden. Na IJlst kwam ik alleen te schaatsen en wist ik in het donker niet goed welke kant ik op moest. Van de doorkomst in Sloten en later in Franeker en in Dokkum heb ik enorm genoten. Vlak voor de galamadammen heb ik geluk gehad want door een val als gevolg van een niet goed zichtbare sneeuwbank kon ik even geen lucht meer krijgen, gelukkig herstelde ik snel hiervan en kon ik verder schaatsen. Mijn vorm was uitstekend op die dag en daardoor kon ik mij goed handhaven in de wedstrijd. De verzorging onderweg door mijn vrouw en Benny Leenstra (vader van topschaatsster Marrit) verliep ook uitstekend. Op het laatste stuk van de tocht ben ik diep moeten gaan om het tempo vast te houden, maar het was het waard, de finish in een Elfstedentocht is een moment om nooit te vergeten. “

Laatste berichten