De mannen en vrouwen van '97 nummer 8 en 7 Janneke Dickhout en Neeke Smit

Janneke Dickhout:

Leeftijd in 1997: 29

Woonplaats: Holysloot

Partner: Dennis

Beroep: eigenaar Restaurant

Kinderen: 3



Janneke:

“Ik zal een jaar of vier geweest zijn toen mijn vader, voor het eerst schaatsen bij mij onderbond. Hij ( Jaap Dickhout) was een fanatiek marathonschaatser in die tijd. In de barre tocht van 1963 werd hij bij Harlingen van het ijs gehaald. Als er even natuurijs was ging hij met een groepje schaatsers hier uit de omgeving van Holysloot schaatstochten maken door het Waterland en omgeving. Op die manier groei je op met schaatsen. Op mijn veertiende had ik even een dip en zag het schaatsen niet meer ‘zo zitten’. Maar de strenge Elfstedenwinters in de jaren tachtig zorgde er voor dat ik weer gemotiveerd raakte om te gaan schaatsen. Al snel werd ik gevraagd voor de baan- en gewestelijke selectie. Vooral van trainer Cees Lissenberg heb ik heel veel geleerd en altijd met veel plezier bij getraind. Die marathontrainingen waren ‘pittig’! Zeven keer per week trainen in de zomer. Fietsen, skeeleren en hardlopen deed ik om zo goed mogelijk op het ijs te kunnen presteren. In de winter bezocht ik minimaal vier keer de kunstijsbaan, naast het trainen van mijn duurvermogen op de racefiets. Soms zat ik als ik aan het trainen was voor een alternatieve Elfstedentocht wel zes tot zeven uur op de fiets. Dan vroeg ik wel eens aan trainingsgenoten uit de buurt om een stuk met mij samen te rijden, om zo de tijd door te brengen.



In 1986 was ik mee als verzorger van Teun Breedijk, de latere KNSB Marathoncoördinator en in die tijd zelf actief als marathonschaatser en woonachtig in mijn dorp. Dat maakte wel indruk. Van de Elfstedenvereniging ben ik nooit lid geweest. Als landelijke rijdster kon je in de jaren negentig zonder lidmaatschap van de vereniging van start gaan bij een Elfstedentocht in de wedstrijdtocht. Na de Elfstedentocht van 1997 ben ik ook geen lid geworden. Het klinkt misschien een beetje raar, maar het doet mij niet zoveel meer. In 2012 was er een strenge winter, toen heb ik zelfs niet eens geschaatst. Wij zetten dan ook een koek en zopie op het ijs, daar ben je dan heel druk mee. Misschien heb ik mijn knieën met schaatsen ook wel overbelast en hebben al de valpartijen in het peloton mijn lichaam er niet beter op gemaakt. Voor mijzelf koester ik die Elfstedenervaring, ik ben er ook trots op maar loop er niet mee te koop.


Voor mij was het rijden van een 200km in 1997 niet nieuw, in Finland en Oostenrijk had ik voor de Elfstedentocht van 1997 al de nodige ervaring opgedaan, maar een Elfstedentocht is uniek. Teun Breedijk was inmiddels van Holysloot verhuisd naar het Friese Kollum en bij hem overnachtten we voor de Elfstedentocht. Mijn vader was altijd mijn vaste verzorger en ging mee naar alle wedstrijden. In 1997 maakte ik geen deel uit van een schaatsploeg en misschien is dat ook soms wel een voordeel, dan kan je alles zelf bepalen. Samen met mijn man Dennis en mijn broer was er een verzorgingsploeg samengesteld, dat werkte perfect.

Op het ijs hadden zij een groot bord in de handen, met daarop geschilderd de H van Holysloot. Geen verzorgingspost heb ik toen gemist. In IJlst, Harlingen, Berlicum en Bartlehiem stonden ze op mij te wachten. Voor de start waren we vroeg opgestaan en van Kollum naar Leeuwarden gereden. De nacht voor de wedstrijd sliep ik slecht, dat wist ik, maar dat is ook helemaal niet erg. Het hoort erbij.


Om 04.30 stond ik anderhalf uur voor de start in de startkooi. Op gympen van mijn schoonmoeder stond ik daar, mijn eigen loopschoenen wilde ik niet achterlaten bij de start op het ijs. Dat was een fout, achteraf gezien want die schoen pasten voor ‘geen meter’! Na het bevrijdende startschot renden de rijders als ‘dollen’ naar het ijs. ‘Het blijft 200k hé en de dag is lang’, dat waren mijn overwegingen om rustig van start te gaan. Daar heb ik wel wat laten liggen, een goede start is cruciaal en een gat rijd je nooit meer dicht met die zware omstandigheden, zoals in 1997. Ja, ik wil er niet te dramatisch over doen, maar met hardlopen heb ik het laten liggen. Het eerste stukje reed ik alleen het pikkedonker in. Het voelde onwennig, gelukkig kwam ik Willem Blakborn en Jan Warta tegen, twee streekgenoten uit het Waterland. Opeens vanuit het niets was daar een brug, die beschenen werd door tractoren. Tranen schoten in mijn ogen toen ik zag hoeveel mensen op die brug stonden en een oorverdovend kabaal maakten. Ja, besefte ik, dit is niet zomaar een wedstrijd. Tegen de kou was ik goed gewapend met zeemleren stukken als bedekking onder mijn schaatspak, mijn schaatsschoenen had ik ingepakt met een soort folie en daarover heen schaatshoezen. De punten van mijn schaatsbuizen waren aan de voorkant afgeslepen om makkelijker over de scheuren te komen.


Op het Slotermeer reden we nog even verkeerd ook, maar op tijd genoeg had ik dat door. In IJlst heb ik mijn eerste ‘tasje’ aangepakt met verzorging. Warme thee, extran en een krentenbolletje nam ik. Mijn verzorging was trouwens zo goed, dat ik zelfs teveel had. In mijn groep heb ik dat ook uitgedeeld. Tenslotte ben je ook van elkaar afhankelijk, besef je maar al te goed. Op de blikvaart zag ik mijn vader weer staan. ‘kom op Janneke’, ‘heb je nog wat nodig’, riep hij. Ondertussen reed hij met de auto langs de kant mee. ‘Doe maar nog een beetje thee’, riep ik. Vervolgens reed hij door naar Bartlehiem en daar stond hij met thee. Prachtig toch! In de groep reed ik ‘gewoon’ met de mannen mee en name ook ‘kop over’! We probeerden elkaar ook te motiveren, samen heb je één doel, die finish hé, op de Bonkevaart. Ik had niet echt een idee waar ik was, behalve dan, dat het routekaartje in mijn hoofd zat.


Op de Dokkumer Ee reden we in een grote groep , die na de stempelpost snel uit elkaar viel. Samen met Marion Borst heb ik die laatste 20 km afgelegd, Neeke Smit demarreerde bij ons, dat gaat nu te hard voor mij dacht ik. Bij andere wedstrijden zat ik meestal voor Neeke. Nu waren we een soort van ‘overruled’ door die krachtige demarrage en het tempo wat zij aanhield. Met Marion heb ik nog strijd geleverd voor de 8e plaats. Daar was ik niet echt tevreden over, bij andere natuurijswedstrijden finishte ik meestal ‘meer van voren’. Ja, daar baalde ik wel van.

Aan de andere kant vergoedde de thuiskomst veel, door al die kaartjes en bloemen die bezorgd waren. Mijn oudste dochter (lucia) was toen vier en had een tekening voor mij gemaakt, kijk hier heb je die tekening. ( Janneke laat haar plakboek zien) Dat zijn echt leuke dingen. Op het stadsdeelkantoor in Amsterdam zijn we ook gehuldigd. Ik was ook snel hersteld en heb in de week na de Elfstedentocht nog volop wedstrijden gereden. Op de Rottemeren won ik zelfs. Aan het eind van de winter was er een natuurijsklassement ( unoxklassement) opgemaakt voor mannen en vrouwen. Hiervoor ontvingen wij een uitnodiging en samen met de andere rijdsters zitten we gezellig te eten tot overgegaan werd tot de prijsuitreiking. Hans Pieterse uit Diemen won bij de mannen en Neeke Smitbij de vrouwen. Hans kreeg als eerste prijs 9.000 gulden overhandigd en de eerste dame een bosje bloemen. De organisatie bood excuus aan en wij moesten maar ons bankrekeningnummer geven, dan zou er nog wat gestort worden. Witheet was ik, wat een blamage. Wij hadden er net zo hard voor gestreden en gereden. Het ging mij absoluut niet om geld maar om het gevoel van serieus genomen te worden.

Als eigenaar van een goed bezocht restaurant in Holysloot heb ik het druk zat en mis het schaatsen niet. Mijn dochter schaatst ook goed, ze heeft zelfs meer talent dan ik. Als ik bij wedstrijden ga kijken zie ik de oude bekenden van vroeger weer. Dat is altijd wel even leuk om samen herinneringen op te halen. Dat fanatisme dat ik vroeger zo had om echt hard te schaatsen, dat is er niet meer. Eigenlijk moet ik wel wat meer gaan bewegen. Volgende week heb ik al fietsafspraken staan. ( Janneke lacht en vertelt verder:)


Soms zeggen ze hier bij het restaurant weleens, hoe kan het dat jij zo hard kan werken en zo lang kan doorgaan? Aan het eind van een werkdag heb ik soms niet gegeten en nauwelijks gedronken. Pas na een week hard werken, als je op maandag even rust hebt, besef je eigenlijk hoe hard je gewerkt hebt. Die taaiheid heb je vanuit de sport verder ontwikkeld en zit ook in je. Als ik daar aan denk, dan weet ik dat presteren in een Elfstedentocht niet uit de lucht komt vallen.


Neeke Smit

Leeftijd in 1997: 37

Woonplaats: Berhout (NH)


Elfstedentocht 1997

Partner: Glenn

Beroep: Fotograaf


Neeke:

"Terschelling is mijn geboortegrond. Met schaatsen ben ik na de Elfstedentochten van 1985, 1986 begonnen. Het inspireerde mij enorm en ik dacht als ik nog een keer (zelf) de Elfstedentocht wil rijden dan moet ik nu beginnen. Sijtje van de Lende is de trainster waar ik toen bij aangeklopt heb. Zij heeft mij jarenlang begeleid en als trainster heeft zij mij een belangrijke basis aangereikt. Het talent voor schaatsen heb ik zeker niet van een vreemde. Mijn moeder kon ook goed schaatsen en heeft in de jaren vijftig op de korte baan nog wedstrijden gereden tegen de befaamde Martha Wieringa in Friesland. In de kerstvakantie ging ik eind jaren zeventig en begin tachtiger jaren vaak naar mijn tante die in Makkum woonde. Daar aan de rand van het IJsselmeer kreeg ik de Friese schaatstraditie mee.’ Even op de ‘ ijzers naar Workum of Bolsward’. Niet dat op Terschelling niet geschaatst wordt. In tegendeel op Terschelling heb je drie landsijsbanen die in strenge winters goed bezocht worden. Maar, het is natuurlijk wel vaak een paar dagen later dat je kan schaatsen op het eiland, door het zeeklimaat is het weer wat onstuimiger en minder koud. Tijdens mijn bezoekjes in Makkum ging ik ook wel eens kijken in Heerenveen bij een baanmarathon. Mijn enthousiasme werd in de loop van de tijd steeds meer gewekt om zelf ook te gaan schaatsen op wedstrijdniveau. In de zomer ging ik regelmatig naar de vaste wal om mee te doen aan de droogtrainingen die voor de schaatsclub Bolsward werden gegeven of vanuit de Friese selectie plaatsvonden. De rest van de tijd combineerde ik mijn trainingen met werken in de horeca bij hotel de walvisvaarder. Ik deed veel aan hardlopen en een beetje aan wielrennen. Met grote toewijding en veel discipline trainde ik. Anders kon ik het niet permitteren om het vol te houden met het werken in de horeca. Hardlopen en wielrennen. Het kwam voor dat ik op de badweg op Terschelling trainde op de rijbaan en dat de politie dat oogluikend toestond omdat ze wisten waarmee ik bezig was.Pas later ben ik gaan skeeleren. Tussen Wolvega en Makkinga in Friesland hadden we een mooi ‘ skeelerparcourtje’ , met geschikt asfalt om te skeeleren. Met andere Friese schaatsers trainde ik daar. In winter ging ik elke week van Terschelling naar de vaste wal om toch wel vier of vijf keer per week te schaatsen in Thialf. Daar trainde ik mee met de Friese selectie. Een groot voordeel voor de dames was dat ze ook regelmatig met de mannen meetrainden, waardoor je echt sterker wordt. Vooral de trainingen op maandagmorgen waren legendarisch. Tal van marathonschaatsers probeerden vrij te regelen op maandagmorgen om te trainen. Illustere namen als Jeen van den Berg, Jacobus de Vries, Bennie van der Weide, Marten Hoekstra begeleidden het een beetje. Ook Klasina Seinstra en Baukje Bron waren hier vaak aanwezig. De sfeer was geweldig, na de training was er bijna elke week taart omdat er weer ‘eentje’ was die een weddenschap had verloren. Er was saamhorigheid, tegelijkertijd werd er misschien ook daardoor wel heel goed getraind. Ook op andere momenten tijdens gewone publieksuren in Thialf spraken wij af om te trainen. Sijtje was hier ook vaak bij. Mijn auto stond in de winter altijd in de stal in Harlingen en niet op Terschelling waar ik woonde. Als er natuurijs lag pakte ik de eerste boot naar de vaste wal en werd Makkum bij mijn tante mijn tijdelijk logeeradres. Het is een keer voorgekomen dat ik rond de kerstdagen hard moest werken in het hotel op Terschelling terwijl er natuurijs lag. In ons hotel logeerde ook Guus Hiddink. Hij wist dat ik marathonschaatser was en haast niet meer te houden was. Voor mijn baas ( Roelof Trips) was het heel lastig om mij te laten gaan met die topdrukte. Guus hoorde dit en zei tegen mijn baas, ‘ zo heb je ook niks aan haar, laat haar gaan!’ Die meid moet een wedstrijd rijden! De volgende dag stond ik op het Nannewijd en kon mijn eerste kilometers op natuurijs maken.



Begin jaren negentig werd de toegewijde trainingsarbeid uitbetaald in klinkende sportieve successen. In 1991 won ik op de Weissensee de Alternatieve Elfstedentocht. Vaak stonden er in die tijd voor deze afstand maar een beperkt aantal vrouwen aan de start. ‘ In Friesland is de afstand ook voor dames 200km en niet korter! Daarom wilde ik toen al die 200km rijden. Ja, dan ben je wel een beetje verbaasd of verrast dat anderen dat niet zo makkelijk deden. In totaal heb ik vier keer de alternatieve Elfstedentocht gewonnen, onder vaak moeilijke omstandigheden. Op kunstijs kwam ik minder goed tot mijn recht, schaatsen op natuurijs was echt ‘ mijn ding!’ Het aanpassen van je slag aan de ijscondities, het doorgaan en afzien lagen mij altijd goed. Een voordeel is misschien ook wel dat ik nooit bang was voor scheuren of zoals bij een Elfstedentocht, lange tijd in het donker schaatsen. De voortekenen waren niet goed in het najaar van 1996, ik brak mijn sleutelbeen! Bij de revalidatie wilde ik te snel natuurlijk, het schaatsseizoen was inmiddels al begonnen. Ik voelde dat ik sterker was dan ooit, maar nu onnodig werd teruggeworpen door zo’n ‘rotblessure’. De medici gaven aan dat ik echt rust moest nemen. Met een grote trainingsachterstand keerde ik eind november terug in het peloton. Dat wordt niks dacht ik. Maar tot mijn verbazing wist ik het NK op kunstijs in december uit te schaatsen. ‘ Yes’, dat voelde als een goede opsteker. Eind december 1996 viel de winter ongekend streng in. Binnen de korste keren konden er klassiekers verreden worden. De eerste die georganiseerd werd was de Holland-Venetietocht in Giethoorn. Tot mijn verrassing werd ik derde in deze wedstrijd.

In Ankeveen op het NK natuurijs haalde ik een 12e plaats.Tijdens de klassieker in Maasland kregen wij het nieuws door tijdens de koers dat de Elfstedentocht verreden zou worden. De wedstrijd die ik altijd al wilde rijden ging nu echt door! Onbeschrijfelijk en tegelijkertijd schoot er van alles door je heen. In de koers hoor ik Ruud Borst nog zeggen, in het peloton met verlamde schaatsers: straks kan er maar 1 de Elfstedentocht winnen, ik ga hier voor de winst , die wedstrijd heb ik uitgereden. Een groot geluk in mijn schaatscarrière en heel belangrijk is mijn verzorger geweest; Wiebe Kruithof. ( neef van marathonschaatslegende Jan Roelof Kruithof)Hij ging altijd mee en zorgde er voor dat ik op lange wedstrijden goed mijn zo noodzakelijke verzorging kreeg. Via Johannes Fekkes ( een invloedrijke medewerker bij het ijsstadion Thialf) konden wij een slaapplaats krijgen in Leeuwarden vlak bij de Frieslandhal. Voor veel mensen die in de schaatssport werken met een ondersteunde functie van trainer tot verzorger komen in een lastig parket als de Elfstedentocht plaatsvindt en zij zelf ook kunnen starten in de toertocht. Wiebe startte ook en mijn verzorging heb ik toen via familie en kennissen geregeld. In Sneek, bij de Galamadammen, Parrega, Harlingen, Vrouwenparochie stonden zij opgesteld om mij van ‘fourage’ te voorzien. Eten en drinken heb je wel nodig op een 200km! In Leeuwarden sliep ik op een heel klein kamertje. Ik zou geen eens meer weten waar het was. ‘Doodop van de zenuwen ben je’, ‘tegelijkertijd weet je dat je rust moet bewaren om te presteren’. Goed eten, maar niet overdadig de avond voor de wedstrijd. Wat extra pasta en pannenkoeken. De nacht voor de wedstrijd sliep ik maar weinig. Het feestgedruis van de ‘Elfstedennacht’, veroorzaakte veel geluid, maar door al de indrukken en verwachtingen deed ik zelf nauwelijks een oog dicht. Met moeite werkte ik een broodje naar binnen en toen op weg naar de ‘ startkooi’ , in de Frieslandhal. “ de dood of de gladiolen’, was mijn motto. Ik was er van overtuigd dat ik het zou halen. Een zorg was moeten plassen tijdens de wedstrijd. Vooraf ben ik verschillende keren naar het toilet gegaan. Ik heb zelfs minder gedronken tijdens de wedstrijd om maar niet naar de WC te hoeven. In de startkooi was het warm, even heb ik nog contact gezocht met Klasina Seinstra en Boukje Bron. Al die camera’s boven de kooi, Mart Smeets die langs de startkooi interviews probeerde te maken. Langzaam werk je naar de start toe, het aftellen en dan gaan die deuren open en is het een soort van rennen voor je leven. Het verschil tussen de binnen en buitentemperatuur was natuurlijk heel groot. Op 4 januari 1997 was het om zes uur ’s ochtend ruim 7 graden onder nul met een venijnige noordoostenwind. De kou sloeg om mijn luchtwegen en daardoor kreeg ik last van hyperventilatie. Eenmaal op de Zwette liet ik mij snel op het meest in de nabijheid zijnde bankje neerploffen tussen andere rijders in. Snel en in één keer zo goed mogelijk de schaatsen onderbinden en dan schaats je de duister in. Uit mijn ooghoek zag ik nog rijdsters aankomen. Achteraf kan je zeggen dat achteraan in de startkooi van startgaan en niet snel genoeg lopen je kansen echt verkleinden om binnen de tijd terug te zijn in Leeuwarden. Achteraf is makkelijk praten, realiseer ik mij maar al te goed, want wat voor ervaring hadden we nu! Ik had mijn slag gelijk te pakken en reed met hoog tempo op weg naar Sneek. Het klunen lukte prima, ik liep veel hard in de voorbereiding, misschien was dat wel een voordeel. Ik hoorde nog wel roepen bij het klunen door andere rijdsters, ‘ niet zo hard’, ‘ niet zo hard’! ‘ Volle bak’, reed ik, toch ben ik niet gevallen. Dat is meestal een teken dat je goed in vorm bent. Elke stad waar we een stempel moesten halen heeft een diepe indruk op mij gemaakt. Die mensenmassa, het geluid. In IJlst zag ik de stempelpost te laat en moest terug. De verzorging op mijn eerste posten miste ik, geen paniek dacht ik daar moet je mee omgaan. In mijn zak had ik wel een reepje. In 1997 reed ik niet voor een ploeg en in woudsend zag ik een grote delegatie van de klerkxploeg staan, toen ben ik even ‘ leep’ geweest en heb mijn arm door één van die zakjes gestoken, die niet voor mij bestemd waren! De route in de zuidwesthoek was voor mij goed bekend, maar op de ‘Luts’ , de waterweg van Balk naar de Fluessen, kwam ik toch ten val. Op dat deel van de route reed ik samen met marathonschaatser Koop Thalen uit Heerenveen, het ging niet goed met hem. ( materiaalpech) “ Bij Stavoren staat mijn vader, ik stop, pak mijn tasje daar!’ Een geluk , toen ging het eigenlijk pas beginnen met meer dan 100km tegenwind tot Dokkum. Geen idee had ik hoeveel ik precies lag in de dameswedstrijd, wel had ik gezien en begrepen dat er een aantal dames vooruit lag, onder wie de vooraf getipte kanshebbers. Vanaf Stavoren tot Bolsward schaatste ik in een groep van ongeveer dertig schaatsers. In Parrega , tien kilometer voor Bolsward stond mijn zus met eten en drinken, dat was fijn, niet het ijs, wat goed schaatsen onmogelijk maakte. Ik geloof dat iedereen wel daar botte schaatsen heeft gekregen. De wind was pal tegen en langzaam aan ‘ druppelden er stees meer mensen van de groep af’. Bij het klunen op dit stuk van de route zoals bij Witmarssum en Arum hoorde ik weleens een bekende wat roepen, maar je rijdt een wedstrijd, je knikt soms tijdens het klunen even, maar eigenlijk ben je maar met één ding bezig; ik moet en zal naar Leeuwarden, hoe dan ook! Terwijl de tijd tikt. Ook voor Harlingen lag weer zand op het ijs, in de omgeving van de industriehaven stonden mijn neefjes met extran sportdrank en een banaan. Na het van Harinxmakanaal moet er geklund worden en gaat de route over smalle vaarten, of sloten naar Franker. Na een flink stuk klunen voor Franeker, was de binnekomst in Franeker overweldigend al die mensen langs de kant. Ja, dan begint het. Boven Franeker schaats je op de Blikvaart op slechtijs op weg naar Dokkum. Inmiddels was onze groep opgegaan in een grotere groep met andere wedstrijddames: Marion Borst, Janneke Dickhout en Sonja Groot. Sonja pakte wel de regie in die groep, ‘ overnemen mannen’ , riep ze keer op keer. Na Bartelehiem zie je tegemoet komende rijders die Dokkum al hebben aangedaan. Daarmee kon ik een beetje nagaan hoe ik lag in het damesveld. Alida Pasveer en Jolanda Duivenvoorde-Grimbergen zag ik toen voorbij komen. De kop van de (dames) wedstrijd heb ik niet waargenomen. Birdaard, … kilometer na Barthelehiem zag ik aan voor Dokkum. Een misrekening, want vanaf dan is het nog naar Dokkum. Met zoveel wedstrijdkilometers in de benen zakt dan even de moed in je schoenen. Maar iedere keer weer schoot door mijn hoofd, ik moet en zal naar Dokkum, ‘dit is de Elfstedentocht!’. Mijn ouders volgden op Terschelling de wedstrijd en ik had hen beloofd dat ik het zou halen en zij zich geen zorgen hoefden te maken. De buurman kwam belde om de drie uur bij mijn ouders aan om een nieuwe videoband in de videorecorder te stoppen, zodat ik bij terugkomst de wedstrijd ook zou kunnen zien. Na 100 kilometer heb ik nog nooit lekker geschaatst wist ik uit ervaring. Vlak voor Dokkum moesten we even klunen en daar kwam ik ten val, ten overstaan van al dat publiek. Na het stempelen bleek ik nog reserves te hebben. Met Janneke Dickhout wilde ik niet gezamenlijk naar de finish. Zij was een betere sprinter. Voluit heb ik toen gereden, ‘ alles uit de kast’, het lukte, ik reed weg bij het groepje met dames.


Bij Oudkerk heb ik even omgekeken en zag dat ik ‘ los’ was. Met een enorm gevoel van blijdschap kwam ik over de finish. Ik gleed moegestreden met de handen op de bovenbenen over de finish. Daar werd ik opgevangen door Jeen Wester, grote klasse vond ik dat, want ik had bedankt om voor zijn ploeg te schaatsen. Met schaatshoezen als beschermers onder de voeten stapte ik met een niet te beschrijven gevoel van trots de bus in naar de Frieslandhal. Het is haast niet te geloven maar in die grote berg achtergelaten schoenen na het looponderdeel zag ik de mijne. Ondertussen had ik meegekregen dat de er ‘gedoe’ was over de derde plaats. Opeens werd er geroepen of er een ‘Smit’ naar boven kon komen, daar zaten wat rijders en er waren chaotische taferelen. Al snel merkte ik dat ik er weinig te zoeken had, in het voorbijgaan kwam ik Gretha en Jenita tegen. “ weet je al of (onze)Marjanne binnen is?”, vroegen ze. Dat kon ik niet bevestigen. Daarna ben ik mijn autootje gestapt en naar mijn tante in Makkum gereden. Uitgeput en voldaan heb ik op de Tv het verloop van de Elfstedentocht gevolgd. Aan het eind van de middag dacht ik, die stijve rug van mij moet ik toch een beetje los zien te krijgen. De ‘ kou was allerminst nog niet uit de lucht. ‘ En je bent marathonschaatser en ook na de Elfstedentocht wil je wedstrijden rijden’. Een klein stukje heb ik toen op de mountainbike los gefietst en zag nog door de Makkummer ijsclub georganiseerd wedstrijden ‘ ringsteken’ op het ijs. Met een voldaan gevoel keek ik terug op die wedstrijd, mijn mooiste van al mijn gereden wedstrijden. Twee dagen na de Elfstedentocht won ik de ‘ 100 van Earnewald’ bij de dames. Daarna volgde op 8 januari een overwinning in de Noorderrondrit. Door mijn goede prestaties op natuurijs won in het Unox cup klassement, het klassement dat opgemaakt werd na afloop van het natuurijsseizoen. Die uitreiking werd een deceptie en liet zien dat het damesschaatsen onvoldoende serieus genomen werd. Winnaar Hans Pieterse ontving 9000 gulden, voor de dames waren er in eerste instantie geen prijzen. Later kreeg ik nog zes honderd gulden overgemaakt. Het voelde als ‘ mosterd na de maaltijd’! Volgens de officials van de KNSB zouden er te weinig dames deel hebben genomen om een volwaardig klassement op te maken. Naast dat feitelijk onjuist was lagen de verhoudingen volkomen scheef in de toekenning van prijzen aan mannen en vrouwen. Op Terschelling werd ik ontvangen door de Burgemeester, samen met twee toerrijders. Ik kreeg een bloemetje en een puzzel overhandigd van nog geen tientje. ( Neeke lacht) Dan kan je net zo goed niets geven! Het gebaar was natuurlijk wel mooi en betekenend. Terugkijken is die Elfstedentocht van 1997 de mooiste wedstrijd geweest in mijn carrière Er zijn zoveel schaatsers die er van dromen om dit een keer te kunnen doen en ik kan zeggen dat ik dat gedaan met ook nog een mooi resultaat in de wedstrijd.


Tot 2004 heb ik geschaatst in het landelijke damespeloton. Toen ben ik gestopt. Jarenlang heb ik in de rijdersraad gezeten en geknokt voor gelijkwaardige behandeling van de dames in de marathonsport. Zoals voor eerlijke verdeling van het prijzengeld voor mannen en vrouwen. Bij de alternatieve Elfstedentocht heb ik een tijd in de organisatie gezeten. Het Elfstedenbestuur is daar ook een keer gaan kijken. Toen hebben zij mij gevraagd om in een adviesfunctie voor arbitrage bij de dameswedstrijd te vervullen. Dat heb ik aanvaard. Als advies gaf ik ze mee om geen atletiekvereniging uit Leeuwarden als jury te laten fungeren, maar een KNSB jury. Die kennen de rijders veel beter en weten van de hoed en de rand. Daarnaast vind ik het belangrijk dat ook jonge mensen bij de Elfstedenvereniging betrokken worden. Zo had ik nog veel meer zaken die ik aan de orde wilde stellen. Echter ik werd gevraagd om ploegleider te worden. Direct besefte ik dat er dan tegenstrijdige belangen kunnen zijn met de jury taak voor de Elfstedenvereniging. Tot mijn spijt kreeg ik zelf geen eens de kans dit aan het bestuur te melden. Via anderen is Harry van der Werf, hoofdscheidsrechter van de Elfstedenvereniging hiervan op de hoogte gekomen en heeft mij toen op een buitengewoon onplezierige wijze dit telefonisch medegedeeld. Terwijl ik van plan was om op de eerste vergadering zelf de mededeling te doen met mijn werkzaamheden te stoppen. Via mijn echtgenoot Glenn Wassenbergh ( jaren lang fotograaf voor de Telegraaf) ben ik in in de (sport)fotografie gerold en inmiddels ben ik fulltime fotograaf. Met het oog op een eventuele Elfstedentocht in de toekomst zal het een dilemma worden tussen schaatsen of fotograferen. Ik weet wel wat ik kies!"




Bron: It giet oan, zei Kroes



Laatste berichten