De mannen en vrouwen van '97: Andries Kasper, Wim Mol en Arjan Bakker



Links voor: Wim Mol, gevolgd door Rinke de Jong en Bram Sikma





Andries Kasper

Leeftijd in 1997: 44 jaar

Driel

Docent wiskunde Fontys hogeschool

Getrouwd, 1 dochter

Andries:

“Ik ben opgegroeid op het Kampereiland in de Noordoostpolder. Als boerenzoon was ik in mijn jeugd dagelijks in de natuur te vinden, zodra het maar even kon, stond ik op natuurijs. Al spelenderwijs leer je met schaatsen dan dingen die je later van pas komen, zoals het schaatsen over slecht ijs.

Na mijn middelbare schooltijd studeerde ik toegepaste wiskunde aan de Technische Universiteit Twente. In deze periode ben ik ook met langebaanschaatsen begonnen. Al snel zat ik in de oostelijke schaatsselectie. Je werk en je sport combineren op semiprofessioneel niveau, was in die tijd heel ongebruikelijk, toch heb ik dat tot mijn 32e volgehouden.

Ik was een subtopper in het allroundschaatsen. In 1984 dacht ik via het schaatsen van marathonwedstrijden mijn schaatscarrière af te bouwen. Die wedstrijden gingen echter zo goed dat ik besloot mijn schaatscarrière te verlengen. Ik kreeg een contract bij de Labelloploeg en had het geluk dat in mijn eerste seizoen in 1985 een Elfstedentocht verreden kon worden, dat is een onvergetelijke ervaring. Als 13e kwam ik over de finish. Onderweg merkte ik hoe belangrijk het loop- en kluungedeelte zijn in de wedstrijd. Evert van Benthem was hier heel goed in.

In 1986 viel in de Elfstedentocht na Bolsward de slag. Er reed een kopgroep weg en samen met Hilbert van der Duim, Henri Ruitenberg en Jos Niesten gingen wij in de achtervolging. Niesten moest in Harlingen de strijd staken door een val waarbij hij zijn schouder brak. Daarna maakten wij onvoldoende tempo om het gat met de kopgroep te dichten. Als tiende kwam ik over de finish, dat is mijn beste resultaat in de Elfstedentocht.

In 1997 was ik inmiddels 44 jaar oud en nog altijd A-rijder. Ik heb geen moment getwijfeld om niet in de wedstrijd van start te gaan. Tijdens de klassieker in Maasland, twee dagen voor de Elfstedentocht hoorden we dat de tocht door zou gaan, in die wedstrijd finishte ik als tiende. Een dag later merkte ik dat mijn leeftijd toch begon te tellen omdat ik niet hersteld was. Toch ben ik voluit gestart in de Elfstedentocht. Na een tijdje werd ik ingehaald op de Zwette door Piet Kleine. Hij reed ontzettend hard en ik was de enige die hem kon volgen. Vlak voor Sneek ging het mij toch te snel en moest ik lossen. Daarna heb ik tot Stavoren in steeds van samenstelling wisselende groepjes gereden.

Na Stavoren ontstond er een grote groep waar ik tot op de Blikvaart deel van uit gemaakt heb. Daar kreeg ik een inzinking. Op de Dokkumer Ee werd ik ingehaald door een klein groepje waar ik bij kon aanhaken. Net voor Dokkum sloot een grote groep aan. Hierin zaten ook Klasina Seinstra en Gretha Smit. Vanaf Dokkum kregen we de wind in de rug en kreeg ik weer energie genoeg om te versnellen. Ook Albert Bakker, Wim Mol en Paul Robijn pikten aan.

Na de finish merkte ik dat ik veel van mijn lichaam gevergd had en na de Elfstedentocht in 1997 heb ik in die winter geen wedstrijden meer gereden. Een jaar later deed de klapschaats zijn intrede in het marathonpeloton. Voor schaatsers die het vooral van hun techniek moeten hebben was de overstap naar de klapschaats heel lastig. ‘Andries, je klapt niet’, zeiden ze dan tegen mij, omdat ik ook op de klapschaats 'heel zijwaarts' bleef afzetten, ging het klapmechanisme van de schaats nauwelijks open. Uit het peloton lossen was mijn eer te na en daarom besloot ik er een punt achter te zetten.

Als trainer van een groepje fanatieke masters sta ik nog wekelijks op het ijs of de skeelers, en als lid van de selectiecommissie van de KNSB draag ik mijn steentje bij aan het samenstellen van de internationale selectiecriteria van het langebaanschaatsen.”


Wim Mol

Leeftijd in 1997: 26 jaar

Hollandscheveld

Beroep: Lasser

Getrouwd, twee kinderen

Wim:

“Ik kom uit een familie van harde werkers, waar sport niet of nauwelijks een rol speelde. Begin jaren negentig werd ik fanatiek met skeeleren, later ben ik hierbij zelfs een aantal jaren in de A-categorie uitgekomen. Het schaatsen deed ik in eerste instantie vooral om de wintermaanden te overbruggen. Ik probeerde eens een wedstrijdje en ontdekte dat ik bij de baanmarathons ook goed mee kon komen en van het één kwam het ander. Na een paar jaar bij de B-rijders gereden te hebben, promoveerde ik in het seizoen 1996-1997 samen met o.a. Willem Poelstra en Yoeri Lissenberg naar de A-rijders.

Hoewel ik in de baanselectie van Drenthe trainde o.l.v. Piet van de Zwaag en later Arend Veenhof was ik een echte hobbyist in vergelijking met veel andere rijders. Als lasser maak je lange dagen. Na een dag hard werken begin je niet uitgerust aan de training en dat zorgde er toen voor dat ik vaak oververmoeid was. Na een ontslaggolf bij Fokker in Hoogeveen kwam ik een tijdje zonder werk te zitten en merkte ik gelijk het verschil.

Tijdens de klassieker in Maasland hoorden we op 2 januari 1997 dat de Elfstedentocht door zou gaan. Van ontlading werd er een minuut of tien niet gekoerst, ondertussen stapten veel rijders af. Bij de Elfstedentocht in 1997 waren alle A-rijders startgerechtigd, ook als je geen lid was van de Elfstedenvereniging, zoals ik. Dat ben ik pas na die tijd geworden.

De volgende dag ben ik met Bas Doorten, ook eerstejaars A-rijder in die tijd, naar Leeuwarden gegaan. Via een kennis van Bas konden we daar ergens overnachten. De gastvrijheid van die mensen en van de Friezen in het algemeen bij de Elfstedentocht was overweldigend.

Mijn vriendin en familie stond op een aantal plekken langs de route om mij onderweg een tasje met eten en drinken aan te reiken. Na een uitstekende start kwam ik in Sneek aan in de eerste groep van zo’n dertig rijders.

Na Woudsend ging het op het Slotermeer mis en verloor ik de aansluiting met de kopgroep. De route was niet of nauwelijks te zien en sommigen gingen daar linksaf en anderen rechts. Welke kant ik op ben gegaan, zou ik echt niet meer weten.

Na Sloten kwam ik in een grote groep te schaatsen waar ik tot Dokkum bijgebleven ben. In Dokkum moest ik even een sanitaire stop maken en raakte ik de groep kwijt en flink wat plaatsen in het algemeen klassement.

Vervolgens heb ik mij alleen nog maar geconcentreerd om de wedstrijd uit te rijden. Natuurlijk was het zwaar, maar desondanks was ik al vrij snel na de finish weer hersteld van de inspanningen. Op sokken liep ik op weg naar de bus die ons naar het FEC zou brengen. Een politieman zag dat en haalde een paar politielaarzen uit zijn dienstauto en zei: ‘breng ze morgen maar naar het politiebureau in Hoogeveen’, dan komen ze daarna wel weer terug in Leeuwarden, dat zijn toch fantastische dingen, die je alleen bij een Elfstedentocht meemaakt! “


Met de kennis die ik nu heb van trainen en wedstrijden rijden had ik veel meer uit mijn sportcarrière kunnen halen. Na de Elfstedentocht van 1997 ben ik verschillende keren hoog geëindigd in de alternatieve Elfstedentocht in zowel Finland als Oostenrijk. Materiaalpech en een vervelende rugblessure was er de oorzaak van dat ik bij deze wedstrijden mij vaak net niet in de top tien wist te klasseren.

Na de geboorte van mijn dochter en de veranderde regels voor deelname aan de A-competitie, vond ik het in 2006 welletjes en ben ik gestopt. Na die tijd ben ik altijd fanatiek blijven wielrennen en als er natuurijs ligt ben ik als één van de eersten op het ijs te vinden.“


Arjan Bakker

Leeftijd in 1997: 38 jaar

Gouda

Docent Nederlands

Getrouwd, twee kinderen

Arjan:

“ In Ammerstol voetbalde ik in het eerste elftal, als het winterstop was schaatste ik in die tijd vaak op de plaatselijke ijsbaan, dat ging mij makkelijk af en ik wilde weleens meedoen aan een toertocht op de Reeuwijkse plassen. Daar bleek ter plekke ook een wedstrijd aan verbonden te zijn, waar ik ook aan mee mocht doen. Het was weliswaar geen sterk bezette wedstrijd, maar ik viel wel gelijk in de prijzen. Deze ervaring was de aanleiding om lid te worden van schaatsvereniging De Lekstreek en marathons te gaan schaatsen.

In de krokusvakantie in 1985 was ik naar Inzell gegaan om daar te trainen. Na een paar rondjes op de ijsbaan gereden te hebben, werd ik aangesproken dat de Elfstedentocht door zou gaan. Direct ben ik van het ijs gestapt en heb ik de eerste trein naar Nederland genomen. Op het station in Utrecht stonden mijn schaatsmaten mij al op te wachten om direct naar Leeuwarden door te reizen. Als 70e eindigde ik in de wedstrijd. De tocht maakte veel indruk op mij, maar door het gebrek aan ervaring op deze afstand – ik had zelfs schaatsbeschermers meegenomen als wedstrijdrijdrijder- kon ik geen rol van betekenis spelen.

Een jaar later, bij de Elfstedentocht van 1986, stempelde ik als vijfde af in Workum, maar kreeg daar materiaalpech, mijn schaatsijzer was losgeraakt van de schoen waardoor ik goed schaatsen wel kon vergeten. Langs de kant was dat door iemand opgemerkt en gecommuniceerd, want in Bolsward stond een voor mij onbekende man met een paar schaatsen in zijn hand. Dat was een heel bijzonder moment en daardoor kon ik de wedstrijd uitrijden en finishte ik als 32e.

Na 1986 heb ik een aantal jaren met veel plezier bij de A-rijders gereden maar overtraindheid zorgde ervoor dat ik een forse stap terug moest doen. Dat was een dieptepunt in mijn schaatscarrière.

In 1997 schaatste ik niet meer in de hoogste competitie maar wilde wel graag aan de wedstrijd deelnemen in de Elfstedentocht.Bij de klassiekers in aanloop naar de Elfstedentocht reed ik voluit om voorin het klassement te komen, want ik dacht dat ik niet aan de voorwaarden voor wedstrijddeelname aan de Elfstedentocht voldeed en ik rekende erop om de wedstrijdleiding van de Elfstedentocht te moeten overtuigen met aansprekende sportieve resultaten. Dat bleek later helemaal niet nodig, want op basis van eerdere resultaten in de Elfstedentocht, mocht ik van start.

Na een goede start, schrok ik van de harde wind die ons in de rug blies. Het ging zo hard dat ik het gevaar vreesde en ik voorzichtig ben gaan schaatsen. Op de Fluessen schaatste ik samen met Rick van der Hoorn, op dat gedeelte waren de takken die de route moesten markeren niet zichtbaar en die werden vol door de rijders geraakt.

Op het loodzware stuk van Franeker naar Bartlehiem was het een voordeel dat ik de wedstrijd al eerder gereden had, ik kende de route en wist mijn krachten daardoor goed te verdelen. Dat ik heel diep gegaan was merkte ik in de bus die de rijders van de Bonkevaart naar het FEC bracht. Eenmaal daar stapten alle rijders uit en wilde de buschauffeur weer vertrekken. ‘Help’, riep ik, het lukte mij niet meer om zelf uit de bus te stappen. Door een paar man ben ik er toen eruit gedragen, dat seizoen heb ik verder ook geen wedstrijden meer kunnen rijden.

Na mijn 40e heb ik als master nog een nieuwe impuls aan mijn schaatscarrière gegeven door 4x Nederlands Kampioen Marathon te worden en ben ik in mijn leeftijdscategorie op vijf verschillende afstanden wereldrecordhouder. Voor mij geldt wel; een dag niet gesport, is een dag niet geleefd!”

Laatste berichten