De mannen en vrouwen van '97: Sonja Groot en Marion Borst. Nummer 10 en 9 in de Elfstedenwedstrijd


Sonja Groot

Leeftijd in 1997: 29

Woonplaats: Langeraar

Kinderen: 2

Beroep: Leidinggevende op de ICT afdeling bij de stichting 'Ons tweede huis'


Sonja: “Op mijn zevende ben ik met schaatsen begonnen, mijn vader stimuleerde dat. Hij was een fanatiek schaatser en wielrenner. Ik ben begonnen bij schaatsvereniging de Poelster in Amstelveen. Ik reed in de tijd van de Elfstedentocht in 1997 niet in een ploeg, eigenlijk was ik al ‘een beetje klaar’ met het marathonschaatsen, maar toen kwam die strenge winter in 1997. De kans om een Elfstedentocht te rijden wilde ik niet laten lopen! Het jaar daarvoor, in 1996, had ik enorm afgezien bij een 24-uurs race in Baselga di Pine. Samen met Janneke Dickhout, Lilian van Tol en Judith Rem. Drie ronden rijden per toerbeurt en dan langs de kant wachten op de volgende rit... en dat 24 uur lang! Ik was toen helemaal ‘gesloopt’. Achteraf gezien werkte die ervaring in mijn voordeel, mentaal was ik gehard en zag niet op tegen die 200 kilometer, in Friesland. In de voorbereiding op lange natuurijswedstrijden, reed ik het liefst zoveel mogelijk wedstrijden. Als er natuurijs lag dan trainde ik het liefst op de Westeinder plassen of in het Botshol bij Vinkeveen. Ik heb verschillende trainers gehad en ook nog in de gewestelijke selectie gezeten bij Jos Niesten en later bij Jos Geijsel getraind. Als ik terugkijk op mijn training uit die tijd, kan ik eigenlijk zeggen dat ik ‘maar wat deed’! Zeker, als je het vergelijkt met hoe er tegenwoordig getraind wordt.


In de zomer was ik wielrenster en reed koersen, voor al op het wielerparcours in Sloten, in Amsterdam. Van de Vereniging Friesche Elfsteden was ik geen lid. In de jaren 1996/1997 was het voor alle rijdsters uit het vrouwenpeloton toegestaan om van start te gaan in de wedstrijd zonder lid te zijn van de vereniging. Overigens ben ik ook geen lid geworden na de Elf stedentocht van 1997. In 1997 heb ik een prestatie geleverd die ik nooit meer zal overtreffen, dat is ook reden dat ik niet snel denk dat ik mij zal verbijten als er - ooit - weer een Elfstedentocht komt. Eigenlijk heb ik maar van één marathonploeg deel uitgemaakt en dat was de ploeg ‘Happy Kids’, samen met Klasina Seinstra en Laura Kamminga. In 1993 heb ik op de Weissensee het officieuze WK over 100 kilometer gewonnen en verder ben ik drie keer tweede geweest op het NK Marathonschaatsen, zowel op natuurijs als kunstijs. In 1993 werd ik bij de barre editie van het NK op natuurijs tweede in Maasland. Tijdens de koers kwam toen de regen met bakken uit de lucht. In mijn schaatscarrière heb ik maar één keer een 200 kilometer volbracht en dat was gelijk ook in de enige echte Elfstedentocht! In de tien jaar dat ik marathons heb geschaatst heb ik het geluk gehad.


De generatie na mij moest twaalf jaar wachten op een strenge Nederlandse winter; tot 2008. Wat ik mij goed herinner is die spanning van een natuurijsperiode, in ‘mijn tijd’ was er nog geen internet en bijna de hele dag keek ik dan naar teletekst. Het was vaak een beetje vaag welke wedstrijden er waren en waar je kon inschrijven. Aan de andere kant had het ook wel wat, zo’n periode. Mijn vader ging vaak mee en was mijn steun en toeverlaat.

Toen het ‘It giet oan’ klonk ben ik met mijn vader naar Leeuwarden afgereisd. Via de zus van een trainingsmaat konden wij onderdak krijgen in Leeuwarden, midden in het centrum. In de nacht voor de tocht was het volop feest in de stad. Het was in het verblijf heel gehorig dus uiteindelijk ben ik maar op de gang gaan liggen. Goed slapen was belangrijk, n tuurlijk! Voorafgaand aan de tocht at ik in die dagen vaak twee keer per dag warm. Om 04.00 uur ben ik opgestaan, de pasta van de vorige dag heb ik toen ‘koud’ opgegeten. Het was niet zozeer de afstand, maar vooral de kou waar ik tegenop zag, het was zes graden onder nul en bij de start blies er een krachtige wind. Dik ingepakt stapte ik de voordeur uit van het logeeradres. Een paar lagen thermo-ondergoed over elkaar heen gedragen, met daar overheen zeemleren lappen. Dat vorm de mijn uitrusting tegen de koude. Mijn schaatsen (Viking Marathon) had ik ingepakt met folie, kranten en daaroverheen schaatshoezen. Vervolgens, in die vroege ochtend, ben ik alleen met de schaatsen onder mijn arm naar de Frieslandhal gelopen. Onderweg passeerden mensen, die net het feestgedruis van de ‘Elfstedennacht’ achter zich hadden gelaten mij op de fiets. Op een gegeven moment ben ik, gewoon, bij iemand achterop gesprongen en zo kwam ik aan bij de start. In de startkooi in de Friesland hal stond ik helemaal achteraan. Ik wist dat ik goed getraind was en het aankon. Eenmaal in die kooi, met al die hectiek, telde voor mij maar één ding en dat was uitrijden! Dat zou binnen de negen uur moeten kunnen, schatte ik in. Ik wist een kans te hebben om bij de top-tien te eindigen. Ik ben geen hardloper, maar toch ben ik in een flink tempo naar de Zwettehaven vertrokken. Angst om in het donker te schaatsen of voor eventuele scheuren in het ijs had ik niet. ‘Gewoon gaan,’ was mijn gedachte! Als ‘wilden’ vlogen rijders mij voorbij op het bevroren riviertje De Zwette, op weg naar Sneek. Het was voor de wind. Bij veel groepjes die ontstonden zo vroeg in de koers dacht ik: ‘Ze gaan te hard!’ Daarna heb ik mij vooral ‘gefocust’ op mijn eigen tempo dat ik lang kon volhouden. Het klunen, ook in het donker, ging uitstekend. Jaren daarvoor had ik bij de Holland-Venetiëtocht al ervaren hoe klunen eraan toegaat in het peloton. Het is ‘duwen en trekken’. Het lijkt soms wel een vechtpartij. Uiteindelijk is het ook ‘gewoon’ blijven doorlopen! 139 Sonja Groot (nr. 25) op de Workumervaart nabij Tjerkwerd op weg naar Bolsward. Elfstedentocht 1997. Bij de Elfstedentocht van 1997 was mijn vader ook mijn verzorger. Wij verwachtten toen veel drukte en files, en hij dacht dat hij mij op de fiets makkelijker kon verzorgen. In Sneek, Hindelopen en Franeker stond hij langs de kant. Onderweg gaf hij mij thee met druivensuiker, brood met honing en cake. Geen echte sportvoeding, maar dat was ik ook niet gewend. Het is bij zo’n tocht ook niet het moment om dingen anders te doen dan dat je bij ‘gewone’ wedstrijden doet. Moet je je voorstellen: het was 6 graden onder nul en hij (pa Klaas Groot) ging op de fiets overal naartoe in die kou en drukte. Ik heb hem ook gezien bij al de posten waar we afgesproken hadden. Bij de finish wachtte hij mij op. Zijn fototoestel is zelfs nog opengeklapt, bij een val op het ijs en het is een wonder dat er nog foto’s van die tocht zijn overgebleven. Zo makkelijk als dat nu gaat met digitale camera’s, kon je toen nog geen foto’s maken! De route zat niet beter in mijn hoofd dan op de achterkant van de stempelkaart stond aangegeven! Ik stond daar ook onbevangen tegenover. In Sloten hoorde ik bij de stempelpost opeens, ‘Hé Sonja!’ Daar bleken vrienden van mij te staan die helemaal niet uit de sport kwa men en waar ik veel mee naar concerten ging. Dat gaf een geweldige oppepper, maar ik moest snel door. Echte inzinkingen heb ik niet gehad, wel wat tegenslagen. Ach, dat hoort er bij. Lange tijd reed ik met Laura Kamminga. Opeens gaf ze aan dat ze moest plassen. Ja, dan wacht ik niet. Na Stavoren kwam ik in een goede groep met B-rijders en Veteranen. Ik probeerde zo weinig mogelijk kopwerk te doen. Die mannen zeiden weleens: ‘Nou jij, hè!’ Dan ging ik even naar voren, maar liet mij snel aflossen. Ooit had ik gehoord dat je voor een betere bloedcirculatie af en toe met je armen moet zwaaien, tenslotte zit je uren in dezelfde houding waardoor je kan verkrampen. Dat deed ik dan maar af en toe. De entourage in de dorpjes was prachtig, maar er waren ook hele stukken met weinig mensen langs de kant. Niet gelost worden uit de groep was heel belangrijk. Dan was het gebeurd, dat wist ik maar al te goed. Onderweg hadden we lange tijd niet door hoe we lagen in de wedstrijd en of we onder de tijdslimiet reden. Je hoorde wel wat roepen langs de kant, maar kon je alles geloven? Ik geloof bij Franeker, kwamen we achterop in een grote groep. In die groep zaten ook Janneke Dickhout, Neeke Smit en Marion Borst. Er werd slecht overgenomen in die groep. Veel rijders waren volledig uitgeput en de wind daar in het noorden van Friesland was krachtig en voelde bar aan! Marion Borst en ik riepen af en toe dat er ‘gereden’ moest worden. Wij riepen niet zulke lieve dingen tegen die mannen. (lacht Sonja) Vanaf de kant klonk het steeds vaker dat we op schema lagen, ik begon er in te geloven. Vanaf Bartlehiem zag ik de kop van de vrouwenwedstrijd. Eén schaats was inmiddels bot geworden, merkte ik. ‘Knokken’ tegen de felle tegenwind op de Dokkumer Ee. Met die op een na laatste stempel op zak en de wind in de rug viel 140 De 24-uursrace in Baselga de Pine met o.a. Sonja Groot, Janneke Dickhout, Lilian van Tol en Judith Rem. de groep direct uit elkaar. Ik wist dat ik geen kans maakte tegen die andere vrouwen vanwege mijn botte schaats. Voor de wind voluit rijden op zo’n schaats kan je wel vergeten. Daar had ik vrede mee, ik wist dat ik mijn doel ging halen. Het laatste stuk reed ik met wat mannen mee, voor hen was de tijdslimiet verstreken en zij wilden slechts finishen. Ik was zo blij dat ik er was, maar je moet niet vergeten dat ik bijna twee uur na winnaar Henk Angenent finishte. Veel toeschouwers waren al vertrokken bij de Bonkevaart en de eerste toerrijders waren nog niet gefinisht. Dat vond ik wel een teleurstelling. Op een bankje ben ik neergeploft. Sprak een onbekende mevrouw mij opeens aan, ‘Ja,’ zei ze, ‘ik kom ook uit de Kwakel.’ ‘Mens,’ dacht ik volledig uitgeput, ‘lekker belangrijk!’ Daarna verliep alles in een soort roes. Ik stapte in een warme bus en bij het uitstappen merkte ik hoe diep ik gegaan was. Alles deed zeer. Samen met mijn vader ben ik teruggegaan naar ons logeeradres en heb een warm bad genomen. Al snel dacht ik aan ‘thuis’, daar wilde ik naar toe. Vervolgens zijn we ook naar huis gereden. Daar heb ik op de TV de rest van het Elfstedenevenement gevolgd. Thuis werd ik platgebeld door familie en vrienden, iedereen was dolenthousiast. Op mijn werk hebben ze mij maandag na de Tocht echt onthaald. Ik werkte in die tijd bij een groot internationaal bedrijf. Die buitenlandse werknemers hadden geen idee wat een Elfstedentocht losmaakt in Nederland. Echt veel publiciteit heb ik niet gekregen, maar in de lokale media werd ik natuurlijk wel genoemd samen met John van Dijk, die ook uit mijn buurt (Amstelveen) kwam en finishte als 19e in de wedstrijd. Op zondag, de dag na de wedstrijd, heb ik zelfs nog een stukje geschaatst.


Na die Elfstedentocht kon er nog een week volop geschaatst worden en werden er nog enkele grote klassiekers gereden, maar ik was ‘er klaar mee’! De Elfstedentocht vormde de bekroning van mijn schaatsloopbaan. In die week ben ik bijvoorbeeld met vrienden door de polders, vanaf Aalsmeer, via de Amstel, naar de Berlagebrug geschaatst in Amsterdam.


Het enige fysieke ongemak wat ik overhield aan de Elfstedentocht was een brandende voet waar ik toch wel maandenlang wat last van heb gehad. Ik schaats nog steeds, nu recreatief op de kunstijsbaan in Haarlem. Voor de ijsclub in Langeraar zit ik in het bestuur. Bij de kroning van Kroonprins Willem Alexander in 2013 had ik voor de aardigheid mijn draaginsigne van de Elfstedentocht opgedaan, wat je bij dat soort gelegenheden mag dragen. Bij die festiviteiten leverde onze IJsclub Langeraar een bijdrage en toen werd er wel gevraagd naar dat ‘kleine dingetje’ op mijn blouse. Veel mensen weten dat natuurlijk niet van je, dat je de Elfstedentocht hebt uitgereden en al helemaal niet in de wedstrijdtocht! Natuurlijk volg ik het marathonschaatsen, maar op af stand. Met twee kinderen thuis en een man die veel weg is voor zijn werk (als KNSB-Topsportcoördinator) is het lastig om actief bij de sport be trokken te blijven. De publiciteit voor het vrouwenschaatsen is wel toegenomen in vergelijking met onze tijd, dat komt natuurlijk ook door de ‘social-media’. Er zijn veel meer mogelijkheden om publiciteit te maken. Dat is overigens heel goed voor de sport!”






Marion Borst

Woonplaats: Hazerswoude Rijndijk

Kinderen: 2

Beroep: manager bij een zorginstelling


Marion: “Met schaatsen ben ik begonnen toen ik een jaar of zeven was. In mijn familie en in mijn woonomgeving werd veel geschaatst. Mijn vader Cees Borst was met name in de jaren tachtig een zeer verdienstelijk marathonschaatser. Uit de omgeving van Hoogmade kwamen veel schaatstalenten. Het was eigenlijk meer mijn moeder die mij de eerste beginselen van het schaatsen aanleerde. Mijn vader moest in die tijd trainen of aan wedstrijden deelnemen. We schaatsten veel op de ‘Does’, een riviertje bij ons in de buurt. ’s Avonds waren sommige stukken verlicht, met bouwlampen en zo, dan kwam ‘iedereen’ uit het dorp daar naar toe om te schaatsen. Mijn ouders hadden een kwekerij. Als kinderen moesten wij in de zomermaanden ook meewerken. Mijn affiniteit lag niet bij dat werk, maar wel heb ik door dat werk geleerd om door te zetten en te ondernemen. Net als mijn zus en broer (marathonschaatser Ruud Borst) bleek ik over talent voor duursport te

beschikken. Rond mijn twaalfde werd ik opgenomen in de Gewestelijke Langebaanselectie voor junioren, samen met Ruud. Het was een zeer sterke en hechte trainingsgroep met tal van talenten die later zeer verdienstelijk gepresteerd hebben zoals: Jeroen Straathof, Gianni Romme, Martin Hersman, Ingrid van der Voort en Colette Zee. Ook voor wielrennen bleek ik talent te hebben en daar ben ik mij later eigenlijk meer op gaan richten toen ik wat ouder werd. Als wielrenster heb ik ook in 1991 (junioren) en 1993 (senioren) deelgenomen aan WK's.


Ook heb ik deelgenomen aan de Tour de Feminin. Het marathonschaatsen ben ik er in de winter altijd bij blijven doen. Dat is toch een bepaalde fascinatie, die ik heb voor de schaatsbeweging. Illegaal ben ik zelfs op mijn vijftiende van start gegaan bij het NK Marathon op kunstijs, op het startnummer van mijn zus. Ik was nog te jong om officieel mee te mogen doen. Dat weet ik nog goed want ik was mijn handschoenen vergeten. Die waren verplicht om te dragen tijdens de wedstrijd. Van Jan Roelof Kruithof heb ik toen nog handschoenen kunnen lenen. In de jaren negentig ben ik vijf keer op een NK Marathonschaatsen op natuurijs van start gegaan. Natuurijs lag mij meer dan kunstijs, dat kwam ook door mijn achtergrond opgebouwd vanuit het wielrennen. Daar komt het ook meer aan op inhoud en tactiek. Bij de natuurijskampioenschappen die ik gereden heb kwam ik altijd bij de eerste tien rijdsters over de eindstreep.


Als klein meisje was ik natuurlijk trots in de jaren tachtig dat mijn vader meedeed aan de Elfstedentocht in de wedstrijdklasse. Toen ik 18 jaar werd ben ik gelijk lid geworden van de Elfstedenvereniging. De Elfstedentocht van 1997 was voor mij vooraf heel spannend. Heel veel zaken waren onbekend, één ding wist ik zeker: ‘Ik begin in Leeuwarden en finish weer in Leeuwarden!’ Samen met mijn vader die bij de toerrijders startte sliepen we bij een nicht in Leeuwarden. Mijn moeder en zus waren ook meegegaan. Ik droeg onder mijn schaatspak een thermopak en mijn lieve lings - shirt, een katoenen shirt. In deze tijd is de kwaliteit van schaatskleding veel beter dan toen. Mijn schaatsschoenen had ik bij Floor Schrijvers laten maken, een orthopedisch schoenmaker, ik gebruik ze trouwens nog steeds als skeelerschoenen. Ruud logeerde samen met zijn ploeggenoten er - gens anders. Van slapen kwam niet veel terecht en ik weet nog goed dat mijn vader en ik om 03.30 (!) gingen warmlopen in de stad, tussen al die feestgangers in. In de startkooi was veel hectiek en daar sta je dan als meisje tussen al die kerels. Toen de startkooi openging vocht iedereen natuurlijk voor zijn plek. In het gedrang ben ik toen bijna nog gevallen. Ik wist niet wat me te wachten stond in dat eerste stuk en vond het nog best een eind lopen naar het ijs. Toen kwam ook gelijk het besef wat een impact er van het evenement uitgaat. Al die mensen die aanmoedigden, een oorverdovend kabaal. Ik dacht: wat doen jullie allemaal hier! Tegelijkertijd was ik volkomen gefocust. Het schaatsen ging in het eerste gedeelte van de wedstrijd, voor mijn gevoel stroef, ik moest ‘nog in mijn slag komen’. De scheuren kon ik in het donker goed zien, sneeuw was er her en der gewaaid waardoor die beter zichtbaar werden. Met de wind in de rug en op het goede ijs maakte het peloton veel snelheid. Het klunen lag mij wel, naderhand ben ik zelfs een keer Nederlands Kampioen klunen geweest. Dat was natuurlijk geen topsport evenement, meer een ludiek evenement dat in de zomermaanden werd georganiseerd. In de omgeving van het Slotermeer kwamen wij met onze groep op een gegeven moment in het riet langs de kant terecht. Toen schrok ik even, maar wist dat ik absoluut niet alleen verder moest rijden. Uit alle macht probeerde ik dan aan te klampen bij een groep. Wat dat betreft was je als vrouw in die fase van de wedstrijd wel afhankelijk van de mannen. In mijn groep zaten later ook Neeke Smit, Janneke Dickhout en Sonja Groot. Mijn verzorging had ik samen met een aantal andere Zuid-Hollandse rijders geregeld. We hadden vier verzorgingsposten. Bij één van die posten stonden ook mijn moeder en zus. De route kende ik nauwelijks, onderweg in de auto naar Leeuwarden hadden we nog geoefend waar welke plaats lag. Het duurde mij te lang voordat de eerste post kwam en toen heb ik bij een andere post gewoon een tasje meegenomen van de Dasiaschaatsploeg. In mijn verzorgingstasje zaten bananen en muesli repen. Geen echte sportvoeding dus, zoals ze nu gebruiken. Onderweg dacht ik soms: ‘De Elfstedentocht moet toch leuk zijn’, ik zag alleen maar weilanden.‘Wat is hier zo bijzonder aan,’ dacht ik op momenten als ik even ‘slecht zat’ met een enor me wind tegen. De doorkomsten in de stadjes vergoedden veel, zoals in Sloten, maar vooral de aankomst in Dokkum was ‘onvergetelijk’ mooi. ‘Eén kolkende oranje massa!’ Zowel het positieve als het negatieve van de Elfstedentocht beleefde ik be wust tijdens die wedstrijd. Het gevoel van wat het ‘heilige’ van de Elfstedentocht inhoudt. Na Franeker was het tempo uit de groep, er werd niet meer ‘gereden’ en goed overgenomen. Daar baalde ik enorm van, dat kruisje spookte door mijn hoofd en de tijdslimiet. Wij scholden op de mannen in de groep om de kop over te nemen, maar zij waren ook steenkapot natuurlijk. Ik miste de saam- horigheid van: we moeten met zijn allen deze klus klaren. De harde wind tijdens de Tocht staat in mijn geheugen gegrift als ik terugdenk aan die bijzondere dag. Demarreren had geen zin, alleen begon ik niets tegen die harde noordoostenwind. Al vanaf zo’n 75 kilometer na de start, voelde ik dat ik moest plassen. Eerst probeerde ik het weg te denken, maar op een gegeven moment lukte het niet meer om het op te houden. ‘Hoe ga ik dat op- lossen?’, schoot door mijn hoofd. Mijn stempelkaart had ik om mijn pols en die zat vastgetaped. Voordat ik de startkooi inging moest ik ook al naar de WC. Gelukkig wist ik dat ik mijn schaatspak uit kon doen zonder dat mijn stempelkaart los raakte. Stop pen om te plas sen was geen optie. Met de harde wind betekende ‘lossen’ dat je nooit meer terugkwam in de groep. Mijn gêne heb ik toen overboord gezet en mijn kleren rustig losgemaakt. Al schaatsend heb ik geplast. Xander Moerman zat bij ons in de groep. Hij keek achterom. Toen ik mijn schaatskleren opgelucht weer aantrok en zelf terugreed naar de groep heeft hij mij wat geduwd. Vooraf was plassen tijdens de tocht wel een item onder de vrouwen Sommige overwogen zelfs om incon tinentieluiers te dragen. Ik weet niet of dat ook daadwerkelijk tijdens de tocht gebeurd is? ‘Hoe zitten we in de koers, komen we op tijd,’ het schoot steeds door mijn hoofd. Nergens kreeg ik een officiële bevestiging, het bleef gissen. In Dokkum was ik ‘helemaal klaar’ met onze groep. Met de wind in de rug ben ik gelijk van hen weggereden. Janneke Dickhout en Neeke Smit waren daar ook bij. Neeke had voor de wind het meeste over en reed bij ons weg. Samen met Janneke heb ik toen het laatste stuk van de route ingezet. Op de Dokkumer Ee zag ik mijn vader tegemoetkomend, hij was op weg naar Dokkum. Hij reed op kop van een groepje met de eerste rijders in de toertocht. ‘Hé verrèk, die Ouwe,’ dacht ik. Hij zag me trouwens niet. Ik was zo met mezelf bezig dat ik me ook niet afvroeg hoe Ruud lag in de wedstrijd. Hij behoorde tot de favorieten voor de zege. Ook aan mijn vriend, nu echtgenoot, Ubbo Kuper die ook aan de wedstrijd deelnam, dacht ik niet. Zelfs voor de start heb ik Ruud en Ubbo niet gesproken. Ik was helemaal met mijzelf bezig. Janneke en ik zeiden niet veel tegen elkaar. Bij Oudkerk haalden we een wedstrijdrijder in die sneeuwblind was geworden. ‘Mag ik meerijden alsjeblieft, ik ben sneeuwblind geworden,’ zei hij. Hij dook in ons kielzog en probeerde aan te haken op weg naar de finish. Op de Bonkevaart heb ik nog gesprint met Janneke, maar ik was de mindere. Mijn moeder en mijn zus wisten door de beveiliging rondom de finish heen te komen. Zij hadden drie familieleden in ‘De Tocht’. Uitgeput als ik was ben ik ondersteund door hen naar de Frieslandhal begeleid. Daar heb ik nog geprobeerd mijn hardloopschoenen te vinden, tevergeefs. Op het mo - ment dat ik over de finish gleed werd het Journaal uitgezonden, daardoor zijn er geen TV-beelden van bewaard gebleven. Dat is best wel jammer. Slechts één actiefoto heb ik van die dag. Na de wedstrijd zijn we gelijk naar huis in Leiderdorp gereden, vooral mijn enkels deden veel zeer. Toen we thuis waren hebben we Chinees gegeten, dat weet ik nog goed, de rest van het evenement volgden wij op de TV. Daarna ben ik, ‘kapot’ als ik was, naar bed gegaan. Mijn beste vriendin Irene Hilgersom, die aan de toertocht meedeed, moest toen nog kilometers lang zwoegen door het donkere geworden noord Friese land; daar heb ik toen wel even aan gedacht. Elfstedenwinnaar Henk Angenent woonde in die tijd in dezelfde gemeente als ik. Tijdens de huldiging raakte mijn prestatie natuurlijk ondergesneeuwd, dat is logisch een negende plek of een eerste plek maakt in de wedstrijdsport veel uit. Met een brandweerwagen ben ik door het dorp gereden. In de week na de Elfstedentocht van 1997 heb ik op Friese doorlopers nog meegedaan aan een korte baanwedstrijd en op het laatst van die vorstperiode heb ik bij de klassieker op het Amstelmeer bij Westerland nog een vierde plaats behaald. De impact van mijn prestatie tijdens de Elfstedentocht is pas veel later gekomen. De Elfstedengekte is met het uitblijven van een Tocht na 1997 nog veel groter geworden. Het zal lastig zijn om alles in de hand te houden bij een volgende tocht. Ik zou niet graag in de schoenen staan van het organisatiecomité. Bij een volgende tocht start ik zeker in de toertocht, als ik ingeloot ben. Rond 2000 heb ik mijn topsportcarrière beëindigd. Een veel voorkomende blessure bij wielrenners en schaatsers speelde ook mij parten, een vernauwing in de liesslagader zorgde er voor dat topsport steeds moeilijker werd. Een sportarts verbood mij zelfs een tijd om te schaatsen. Uiteindelijk heeft een operatie wel voor verbetering gezorgd, maar optimaal is het nooit meer geworden. Voordat mijn kinderen geboren werden ben ik nog een aantal jaren ploegleider geweest bij schaatsteam Ostersund. In 2008 was ik zwanger en heb toen via de Vereniging Friesche Elfsteden aangegeven dat ik graag in een andere jaarcategorie wilde meeloten voor deelname aan de toertocht. Ubbo heeft dit toen ook aangepast. Wij moesten er thuis niet aan denken dat de één wel zou mogen starten in een Elfstedentoertocht en de ander niet! In 2012 kon er bijna een Elfstedentocht georganiseerd worden en in die periode moest ik een afstudeerpresentatie houden voor mijn Master. Ik kneep hem flink in die dagen; wat als het op hetzelfde moment zou plaatsvinden? Het Elfstedenvirus is er dus nog altijd. Mijn conditie houd ik nu met hardlopen op peil. In de winter ga ik regelmatig naar de kunstijsbaan om te trainen. Als het zover is, wil je erbij zijn!”


* De interviews werden in 2014 afgenomen en maken deel uit van het boek, deelnemen mag, winnen is een ander verhaal. Vrouwen in de Elfstedenwedstrijdtocht




Laatste berichten